Het Nederlandse strafvorderlijke vervolgsmonopolie en het noodzakelijke ICT-implementatietraject II

Juist de digitale snelwegen bieden communicatiekanalen die de inhoud van de boodschappen mede bepalen door hun typisch jargon, snelheden, materiële onherroepelijkheden en opslag, al dan niet in een systematische verzameling, waarbij degeen die de opslag beheert op de systematiek en dus aannaderbaarheid van data grote invloed uitoefent.  Navrant bleek dat, toen een Noord-Amerikaans IT-bedrijf de onderneming van DigiD-hoster Solvinity dreigde over te nemen. De Nederlandse overheid verbood na veel publieke commotie de voorgenomen overname van DigiD-hoster Solvinity door het Amerikaanse IT-bedrijf Kyndryl . Dit besluit tot een verbod is genomen om het publieke belang en de nationale veiligheid te beschermen. Er was veel onrust in de Tweede Kamer en bij experts omdat Amerikaanse wetgeving de VS de bevoegdheid geeft om gegevens op te vragen. De NOS meldde dat de Verenigde Staten bezorgd reageerden op het verbod. Het huidige contract met Solvinity loopt door tot 2028. Hierna wordt gekeken naar een Nederlands of Europees alternatief voor het beheer van de gegevens. Mensen die uit principe willen stoppen met DigiD omdat het kabinet zijn contract met cloudbedrijf Solvinity verlengt, schieten vooral zichzelf in de voet. Een alternatief om in te loggen bij overheidsdiensten is er niet. De contractverlenging met Solvinity werd  uiteindelijk niet ondertekend. Nadien kan het kabinet nog een andere keuze maken, al gaat niemand daar meer van uit. Het kabinet verantwoordde verder niets en liet blijken dat opportuniteitsoverwegingen hier dominant waren en bleven. Voorlopig was de kou even uit de lucht. Deze mogelijke verlegging van de DigiD-cloud lijkt veel op die welke mogelijk zou zijn bij de strafvorderlijke ICT-cloud. Treffend zijn de overeenkomsten, vooral omdat ook hier een monopoliepositie gaat spelen. Die welke voortvloeit uit het strafvorderlijk opportuniteitsbeginsel waaruit een vervolgingsmonopolie voortvloeit dat het Openbaar Ministerie een preferente positie geeft bij het cloudbeheer als politieke opstelling. Het Openbaar Ministerie bouwt de cloud-content immers op en neemt daartoe de initiatieven. Andere belanghebbenden zijn daarbij volgend. Net als de belastingdienst met zijn inspecteurs bij het DigiD-beheer als informatiemassa.

Staatssecretaris Eric van der Burg, ongegrond onvoorwaardelijk optimistisch als steeds,  schreef in een Kamerbrief dat hij het contract wel móést verlengen. Anders komen “de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar”. Van der Burg zag echt geen wezenlijke problemen. Overheidsdienst Logius is eigenaar van DigiD, het systeem waarmee je inlogt bij de overheid, verzekeraars en andere . Solvinity beheert het inlogsysteem voor Logius.  DigiD is niet verplicht. “Het is wel zo dat steeds meer overheidsorganisaties DigiD gebruiken voor de toegang tot hun online dienstverlening”, meldt de Rijksoverheid. Nederlandse burgers kunnen slechts tot op zekere hoogte zonder DigiD. “Je moet dan terug naar communicatie via brieven”, zegt privacy- en ICT-expert Brenno de Winter. Belastingaangiftes en toeslagen moeten dan bijvoorbeeld allemaal via de post worden afgehandeld. Mensen die écht principieel tegen de contractverlening met Solvinity zijn en van DigiD af willen om een punt te maken, kunnen het proberen. “Maar besef dat je jezelf het leven heel moeilijk maakt”, zegt techexpert Bert Hubert. In Nederland heeft het Openbaar Ministerie een vervolgingsmonopolie waaraan je je niet kunt onttrekken. Uiteraard. Dat lijkt dus opening te geven op een info-problematiek door de digitale snelwegen die de Rijksoverheid doet aanleggen voor communicaties van strafvorderlijke strekking.  Vooral als de cloudbeheerder in het buitenland zit. Daarover hieronder nader. Maar ziedaar de reden waarom deze kwesties niet buiten het Algemeen Deel van het in te voeren Wetboek mogen blijven. Dat geldt ook voor andere principiële rechtsnormatieve randvoorwaarden waaraan het door het Nieuwe Wetboek van Strafvordering veronderstelde ICT-systeem en zijn digitale inbeddingen zal moeten voldoen. Zoals de voortdurende toegankelijkheid van de opgeslagen informatiedragers, beelddragers en rubriceringssystematiek van de data, verzameld met strafvorderlijke oogmerken, of die nu wel of niet hebben geleid tot een vervolging. En een definitie van de verzameling rechtssubjecten dat van die toegang gebruik zal mogen maken en met welke coderingen dat zal blijven kunnen gebeuren. Aan de meermalen geciteerde brief van 30 mei 2026 kun je, op basis van de schimmige en vrijblijvende redactie, meteen merken dat de verantwoordelijke bewindspersoon eigenlijk geen idee heeft hoe het adequate ICT-traject met borgen er technisch uit zal komen te zien. Het lijkt, om te beginnen, voor de hand liggend dat het cloudbestand als intellectuele massa wettelijk geterritorialiseerd zal moeten worden als rechtsnormatief uitgangspunt. Of het feitelijk-geografisch juist is of niet, de wetgever zal moeten eisen dat de cloud benaderbaar zal moeten zijn voor de rechtmatige bij de inhoud belanghebbende alsof de massa data zich in Nederland bevond. We zagen in voorgaande Blogs dat pas in 1876 duidelijkheid ontstond bij de wetgevingscommissie-de Wal dat voor de heerschappij van het Nederlandse strafrecht het primaat van het territorialiteitsbeginsel rechtsnormatief uitgangspunt zou moeten zijn en dat daarop alle begripsvorming binnen het Wetboek van Strafrecht afgestemd zou moeten zijn. Zie verder de Blogs dienaangaande:https://gerardstrijards.nl/het-territorale-primaat-als-waarborg/  

Zulks omdat andere staten overduidelijk de neiging aan den dag legden dat territorialiteitsbeginsel en het primaat ervan jurisdictioneel te betwisten: zij oordeelden destijds bij hun onderscheidenlijke staatsvorm het personaliteitsbeginsel, passief en actief, beperkt en onbeperkt, leidend en drukten dat dan ook in hun definities van de bij strafrechtelijke handhaving  toepasselijke rechtsmachtkringen uit. Aanvankelijk wilde de commissie-de Wal juist daarom liever niets bepalen over het strafmachtsrecht dat de Nederlandse wetgever bij zijn codificatie van het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht wilde hanteren, omdat het vreesde daarmee in politieke problemen te komen. Juist omdat de destijds gevormde grotere natiestaatsverbanden zoveel extraterritoriale rechtsmacht trachtten te claimen. Bismarck voorop, zoals aangegeven. De oosterburen vonden het volkomen vanzelfsprekend dat Duitsers in het buitenland in ieder opzicht aan het nationale recht onderworpen en gehoorzaam moesten blijven en de daarop gestoelde rechtsbescherming moesten kunnen inroepen, eventueel consulair. Op dit moment moeten de Nederlandse strafjuristen er onderhand toch achter gekomen zijn dat de staten behorend tot theocratisch georiënteerde rechtsblokken — zoals de Islamitische — en de Aziatisch totalitaire die voortkwamen uit de communistische staatsvormingen sedert de Korea-oorlogen ook het primaat van het personaliteitsbeginsel strafrechtelijk en strafvorderlijk beginnen door te ontwikkelen. Ik wees al op de geruchtmakende zaak-Van Laarhoven om een en ander te demonstreren: daarbij speelt de aanwending van het onbeperkt passief personaliteitsbeginsel door Thailand in Nederland, strafrechtelijk en strafvorderlijk een overwegende rol. Juist daarom bleef Thailand van Nederland verdragsloze rechtshulp eisen, resulterend in een informele overdracht van strafvervolging voor alle gevallen waarin Thai direct of indirect geacht konden worden slachtoffer te zijn geworden van door Van Laarhoven bedreven drugsdelicten. Het is maar een van de vele voorbeelden. Dat Nederland bij de repositionering van zijn strafvorderlijk systeem waarbij de ICT een dominante communicatiefunctie zal hebben en waarbij de provider niet steeds in Nederland zal zitten, statutair en volgens de doctrine van de siège reelle rekening zal moeten houden dat andere staten niet (meer) willen delen in het primaat van de territoraliteit bij de publieke rechtshandhaving is voor de hand liggend. En juist daarom moet daaraan straks op formeel wettelijke niveau in een Algemeen Deel en in een betekenistitel zeker aandacht worden besteed met operatieve definities en beperkingsnormen. Dat de genoemde brief dat totaal passeert geeft zeer te denken. Juist omdat multinationale bedrijven als Micro-soft de ICT en de digitale ontwikkelingen volkomen beheersen waarbij de bedrijfspolitiek natuurlijk niet vanzelfsprekend wordt beheerst door soevereiniteitsclaims van rechtshandhavende staten. Niet internationaal publekrechteijk, niet internationaal privaatrechtelijk. Dat behoort het Wetboek te verdisconteren en daarbij de criteria aan de wetstoepassers te geven, waaronder de providers die de ICT zullen moeten realiseren als rechtsstatelijk verantwoorde en verantwoordbare inbeddingen van de strafvorderlijke communicaties.