Zwijgen is goud

Bij de reorganisatie van het Openbaar Ministerie in relatie tot de politiek verantwoordelijke Minister bleef uiteraard een probleem dat de Officier van Justitie die vanwege het College van procureurs-generaal aanwijzingen kreeg hoe hij moest vervolgen of waarom hij moest seponeren dan wel alsnog moest afzien van vervolging, dan wel de tenlastelegging alsnog opnieuw inrichten zich steeds kon beroepen op de systematiek van het Wetboek van Strafvordering zoals die opgezet was door de wetgever in 1927, toen het oorspronkelijk regeringsontwerp eindelijk in het politieke wetgevingstraject aanhangig werd gemaakt. De Officier was voor deze tenlastelegging bij uitsluitendheid bevoegd. Was hij verstandig, ging het om iets wat politiek zeer gevoelig kon zijn, dan was het zaak om zulks kenbaar te maken aan de procureur-generaal die dat aanging, bijvoorbeeld, indien de te vervolgen verdachte parlementariër was of indien een politicus deelnemer was in het feitencomplex. Maar de Officier kon menen toch de zaak rechtsaanhangig te maken en geen overleg dienaangaande te plegen over de tenlastelegging, de wijze van aanbrengen daarvan, het moment waarop de zaak waar uitgeroepen zou worden – in dat geval staat de tenlastelegging eigenlijk redactioneel onherroepelijk vast en kan zij als gerechtelijk stuk niet meer ingetrokken worden – en bij welk gerecht.  De regels over de onderlinge bevoegdheden van de gerechten (rechtbanken, hoven of bijzondere gerechten) waren daarbij onaantastbaar en dwingend van openbare orde. Daarmee kon ook de officier niet sjoemelen, maar hij kon wel degelijk forumshoppen en het feit zo lokaliseren als delict dat meerdere arrondissementen of rechtsgebieden bij het feitencomplex betrokken werden. Dan kon hij de tenlastelegging zo inrichten dat de rechter, die met bepaalde bewijsvergaringsmethodes geen moeite bleek te hebben, gelet op eerder door hem gevelde jurisprudentie, bevoegd werd of bleef. Bij deze forumshopping kon verzwijging van een bepaalde opsporingsmethode of uitlokking van het feit een rol spelen en dat was dan ook bij de zaken die leidden tot het IRT-drama meermalen gedaan.

Zonder dat de procureur-generaal van het ressort dat ook maar enigszins in het snotje kon hebben, vooral als hij niet echt thuis was in tenlasteleggingstechnieken, delictsomschrijvingen en hun rechtsgeschiedenis of de verhoudingen van de delictsposities tot bijzondere strafwetten zoals de Wet Economische Delicten en de Opiumwet- of de Ontgrondingenwet. Bij de Graaf van Randwijck was dat niet moeilijk. In juridische subtiliteiten was deze magistraat nooit echt sterk geweest en zijn politieke sensibiliteit kon in een spanen doosje. Dat kon ook in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw nog best bij dat soort magistraten die meestal ook een wat uitmiddelpuntige carrière gevolgd hadden en stellig vaker van “buiten” de rechterlijke organisatie herkomstig waren voordat ze als ressorthoofden en fungerend directeurs van politie werden gelanceerd. Dat waren de beruchte kredietbenoemingen waarbij de magistraat in kwestie toch redelijk manipulabel bleek. Bij De Wijckerslooth was dat natuurlijk al helemaal het geval. Die was goed op de hoogte met de Haagse politieke mores. En dat was handig. Maar leidde toch vaak ook tot bepaalde (ver)blindheden. Bij de voorzittend procureur-generaal die bij de verantwoordelijke bewindspersoon een bepaald vervolgingsbeleid moest zien te slijten. Hij meende dan zelf te schuiven. Maar werd voornamelijk voortgeschoven. En daaraan deed de nieuwe redactie van Donners wet op de rechterlijke organisatie echt niet toe of af.

Dat wist eigenlijk in 2000 ook iedereen wel. Donner had alleen maar iets vaags geregeld over de plaats en politieke omgeving waarin het vervolgingsbeleid aangekaart zou worden met de Minister. Hij kon ook niet regelen dat de voorzittend procureur-generaal meteen alle consequenties zou kunnen overzien van een bepaalde tenlastelegging. In de zaak van Eric O. (hierboven al besproken)  en de vervolging van de verdachten in de vuurwerkramp-Enschedé bleek dat een ernstig euvel. Ondergeschikten voelen haarfijn aan wanneer hun chef bepaalde dingen niet echt goed weet of zelfs niets van het toepasselijk recht snapt. En dat hij zich sust met de dooddoener, dat hij voor dat soort tenische trivia “zijn mensen” heeft. Dat zegt zo’n magistraat ook te regelmatig, als bezorgde derden hem vragen of hij wel precies weet wat hij bewerkstelligt. Dat hij “zijn” mensen inzet. Of “zijn dienders” of “mijn Officieren”. Het hoorde in 2000 echt helemaal bij de managementscultuur die zich van het Openbaar Ministerie meester maakte. Rondrennen in een double breasted maatcostuum van luchtblauw zijden garnituur, de mappen onder de rechter elleboog, en steeds verwijzend naar “zijn” mensen die hij aanstuurde en waarop hij trots was. Of wilde zijn. Ik praat niets goed. Ik beschrijf een natuurverschijnsel. Zoals de paaibewegingen van de blauwbilgorgel.