Hoofdofficierenberaad

Het staatkundig inbeddingsplaatje dat Piet Hein Donner voor zich zag was dat van een superviserend College van procureurs-generaal dat het Openbaar Ministerie een crimineel vervolgingsbeleid voorschreef en tevens een logistieke beheerstaak uitoefende op basis van een autonoom aan te wenden budget dat was gefiatteerd door de Minister namens het kabinet. Daarbij zou dat College overal in den lande expertisecentra ontwikkelen voor de Officieren betreffende bepaalde knooppunten in de criminele wereld die zich degelijk transterritoriaal ook doorontwikkelde met waarachtig ook weer expertisecentra, een soort criminogene parallelle werkelijkheid waarin Nederland als staatje eigenstandig ook weer niet zoveel vermocht. Zo moest er een centrum komen voor bepaalde vormen van interstatelijke rechtshulp bij de bewijsgaring via actieve en passieve observaties, het blootleggen van zwart geldstromen naar staten waar een vrijwel absoluut bankgeheim scheen te gelden, afluisteroperaties via het steeds ingewikkelder mobiel telefoonverkeer dat nauwelijks te interfereren leek, inbeslagnemingen van zwarte geldfondsen die dag en nacht de wereld rondgepompt werden via banken die als eendagsvliegen schenen te larven en ontpoppen om vervolgens geheimzinnig te sterven – verder het beruchte slushfunding en vooral de zich voortdurend verplaatsende efemere criminele netwerken. Die natuurlijk geen openbare statuten hadden en waarvan dus ook geen vestigingsplaats te fixeren was. Verder was gebleken na 1993 dat de wereld zich steeds meer opdeelde in rechtsmassieven die maar niet tot enige osmose waren te brengen, al gingen de Verenigde Naties daar nog halsstarrig vanuit. Het tegendeel bleek het geval.

De Islamitische theocratieën schenen zich steeds meer voor hun buitenwerelden volkomen af te sluiten en dus ook geen rechtshulp te willen verlenen op Angelsaksische grondslag. Daarop moest Nederland interstatelijk reageren en daarvoor diende dat College aan de Grotiusplaats, ingedamd door Buitenlandze Zaken en Economische Zaken via aansturing van de parketten op arrondissementsniveau te zorgen. Via circulaires, cursussen in het internationale recht, richtlijnen en aanwijzingen. Dat was ook een verstandig uitgangspunt, maar dan moest de positie van de Officier van Justitie herijkt worden: de functionaris moest gehoorzamen aan de directieven vanwege dat College en kon niet gelden als dominus litis  (heer van het rechtsgeding, Oberster Gerichtsherr) die zelf tenlasteleggingen bleef produceren, wijzigen, aanvullen en intrekken. Maar dan had Donner in zijn herredactie van de Wet op de Rechterlijke Organisatie daarin ook uitdrukkelijk moeten voorzien. En dan had hij het opportuniteitsbeginsel van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering opnieuw moeten formuleren. Hij had het kunnen handhaven, maar het thema moeten maken, op te dragen aan dat College dat daarzonder echt geen centrale efficiënte aansturing zou kunnen geven. En dat deed Donner niet. Maar dat hield mede in, dat de Officier bleef volhouden dat hij en hij alleen die tenlastelegging uitbracht en redigeerde naar zijn bevind van zaken aan het begin van het strafvorderlijk geding. Dat bleven dus die Officieren ook volhouden, want alleen een gek geeft weg waar niemand om vraagt. De Hoofdofficieren, hun formele meerderen, steunden hen daarin. Zij gingen nu een bestuurlijke afschermlaag vormen tegen dat eigengereide College: het Hoofdofficierenberaad. Dat redenen te over had om het College van den beginne af te wantrouwen wegens Haagse politieke streken om de strafvordering instrumenteel in te zetten ter herordening van de maakbare samenleving.

Dat beraad bleef de gedachte van een dominus litis — een soeverein heer van het rechtsgeding — neergeslagen in de Officier koesteren en verholen uitdragen. De Wijckerslooth werd er mee geconfronteerd via tenlasteleggingen die politiek onraadzaam of hoogst risicovol, waren, juist in staatkundig gevoelige zaken. In de zaak Eric O. had de Officier volstaan het strafvorderlijke schuldverwijt toe te spitsen op militaire insubordinatie en de verdachte alleen maar  ten laste te leggen dat hij niet had voldaan aan militaire dienstvoorschriften bij het afvuren van gerichte schoten ter rechtshandhaving. Waardoor gemeen gevaar voor personen was ontstaan en een dode was gevallen. Door zowel de rechtbank als het gerechtshof werd Eric O. vrijgesproken. Het feitencomplex was zo geselecteerd dat de beschuldiging als het ware gedepolitiseerd leek. De militair werd slechts ervan beticht schietinstructies te hebben overtreden tijdens het verblijf van de troepen in Irak. In december 2003 loste hij lukraak twee ‘waarschuwingsschoten’ waarbij één Irakees omkwam. Maar meteen daarop, na het geding, bleek dat toch gericht op een bepaald persoon met een soepjurk aan was geschoten. Nederlandse topmilitairen in Irak hadden dat ook geweten. Dit bleek uit een bandopname van het Defensie Crisis Beheersing Centrum die in het bezit kwam van De Volkskrant. De Wijckerslooth had mij gezonden naar Arnhem. Om die tenlastelegging te bekijken. Maar die was al uitgebracht en betekend (uitgereikt) in persoon en de zaak was al uitgeroepen. Het Openbaar Ministerie kon niet meer terug. Het schot was gelost op basis van Rules of Engagement (ROE’s) vanwege de NAVO. Terwijl het Nederlandse Wetboek van Militair Strafrecht met dienstvoorschriften echt alleen maar doelt op Nederlandse dienstvoorschriften. Vanwege Nederlands militair gezag. Dat moest dus fout lopen.