Koninklijke strafvorderingsdienst en Magna Charta

Bij de toetreding van de Britten destijds tot de Europese Unie was één van de struikelblokken dat de Britse regeringen achtereenvolgens grote bezwaren maakte ten aanzien van de gecentraliseerde strafvordering die Het Continent nastreefde als hoogste goed. De Fransen eisten dat.  Een systeem waarbij steeds een publiek vervolgingslichaam ter zitting zou optreden als vertegenwoordiger van de uitvoerende macht met een tenlastelegging, een strafeis en een mogelijke schadevergoedingsmaatregel in petto, als er een individueel traceerbaar slachtoffer als procespartij een rol zou kunnen spelen, zij het dan een marginale. Die macht zou de strafvordering van alle staten binnen de Unie moeten kunnen aansturen, uiteindelijk ook via een soort communautair strafvorderlijk apparaat met vertegenwoordigers – – procureurs, dus – – vanwege de uitvoerende macht. Het centralistische Napoleontische systeem dat de kleine Keizer meende nodig te hebben voor zijn steeds maar uitdijend rijk. Dat inmiddels een absolute politiestaat was geworden. Centralisatie als principe. Daar was Whitehall gloeiend tegen. Het bleef hechten aan de karakteristieken van het adversarial system, waarbij twee partijen een strafproces voeren ten overstaan van een rechter die optreedt als een soort scheidsrechter die ieder van de partijen onderwerpt aan de procesrechtelijke spelregels. Zoals de vooronderstelling van de onschuld van de vervolgde, diens recht om iedere schuld te ontkennen, niet tegen zichzelf te hoeven getuigen, steeds over het volledige procesdossier te kunnen beschikken en de idee dat geen bewijs kan gelden dat niet mondeling is voorgebracht in de rechtszaal aan de rechter en de door hem samengestelde jury die de feiten moet kunnen vaststellen zonder ingewikkelde expertise-rapporten te hoeven lezen, die doorgaans uitblinken door onbegrijpelijkheid.

Is het nodig, dan moet de rechter maar zorgen dat het rapport wordt uitgelegd in Nijntjestaal in een soort openbaar college. Verder is voor de Engelse rechtsbeleving noodzakelijk dat de verdachte erover beschikken kan dat de rechtszaak uitmondt in een jury-procedure op volledige tegenspraak. Als het gaat om de zwaardere misdrijven moet de vervolgde het daarheen kunnen leiden. Aan een jury-procedure zitten veel haken en ogen. Ze duurt steeds lang, is omslachtig, genereert doorgaans heel veel publiciteit, kost een vermogen dat nergens echt volledig verhaalbaar is ook als de aanklacht lichtvaardig blijkt te zijn geweest en stigmatiseert de verdachte, de slachtoffers, de getuigen en de deskundigen, want de bijbehorende staccato kruisverhoren zijn soms ronduit onbeschoft en gericht op reputatieschade om de geloofwaardigheid van de betrokkenen finaal onderuit te halen. Maar de Engelsman schijnt toch aan deze liturgie gehecht en ze schijnt doorgaans te beantwoorden aan de rechtsbeleving van de hypothetische man-in-the-street. Niet dat die deze kostbaar procedures nu elke keer wil, Maar ze moeten mogelijk zijn. Tegen iedere prijs. Brussel wilde destijds deze soort procedures niet, Londen wel. Omdat ze niet aanstuurbaar zijn, juist daarom waren ze dierbaar aan het Lagerhuis. Op papier kan men dat beweren. Praktisch stuurt ook de deftige hooggepruikte rechter wel degelijk aan, als hij bewijsmateriaal samenvat en de relevantie ervan uiteenzet in de voorliggende strafzaak.

Brussel wilde het Verenigd Koninkrijk toch graag bij zijn vrijhandelsassociatie. Het gaf dus in zoverre toe, dat het afzag van de inbedding van een Openbaar Ministerie – dat Brussel altijd kan aansturen zelfs per zaak – en de Engelsen toeliet, als ze dan maar in een soort strafvorderlijke toevoegingscentrale zoals de Prosecution Service, voorzag. Een centraal administratief orgaan dat het strafprocesrecht en de ontwikkeling ervan zou kunnen onderwerpen aan instructies die recht deden aan wat Brussel allemaal bestuurlijk van plan was. Dus toch gecentraliseerde greep op de nationale strafvordering. En dat vonden de Engelsen ergens niet in de haak.  Want dat was volgens hen niet te rijmen met de zogeheten oergrondwet van de Britten, de Magna Charta uit 1215 die de Britse staatsburger steeds en overal zou waarborgen dat hij alleen strafvorderlijk berecht zou kunnen worden door zijn gelijken, op trommelslag namens de Koning bijeen te roepen in de rechtszaal of onder de dorpslinde. Vandaar dat die Service een hybride organisatie werd zonder eigenstandige aanwijzingsbevoegdheden en zonder het recht om ter wille van de rechtseenheid en rechtsgelijkheid te besluiten tot een hoger beroep, ook ten nadele van een vervolgde. De Service is een makelaardij in gebrevetteerde advocaten met het kroontje op de rode tas, gerenommeerden van hun Inn, hun groep van specialisten, die zij aanzoekt, maar niet plichtmatig instrueren kan en mag en die gebonden is aan de standaard beperkingen van het hoger beroep in het Britse recht — want het Gemeenebest deelt nog steeds in deze common law-eigenaardigheden. De appelrechter komt pas in beeld als de rechter in eerste aanleg een beslissende rechtsschennis heeft bedreven of een ernstig vormverzuim heeft begaan of toegelaten. Er is geen principale tweede kans. Geen rechtsgeding in hoger beroep alsof niet een eerder geding eraan vooraf was gegaan. Ook niet voor het slachtoffer. Die soms zijn grieven pas in appel behandeld ziet. Ook in Nederland.  Dat wist Starmer dus, toen hij toezei dat de slachtoffers van de Pakistaanse grooming gangs alsnog via een buitengewoon rechtsmiddel opnieuw ten principale een rechtsgeding mochten inwachten.