Glorievolle revolte 1688

De glorievolle revolte van 1687-1688 maakte duidelijk dat iedere rechtmatige inwoner van het Engelse Koninkrijk onvoorwaardelijk stond onder de vigeur van de common law en dat alleen dat gewoonterecht, zoals verbeterd door parlementaire wetgevingsdaden (Acts of Parliament) in de geldige uiterlijke verschijningsvorm publiek ter algemene kennis gebracht door Koninklijke Wetsbesluiten (Statutes) algemeen verbindend recht kon opleveren. Dus de Koning óók. Die Majesteit werd daaraan onderworpen alsof ook hij een gewone staatsburger was. De fundamentele grondrechten en staatsburgerschapsrechten werden samengevat in een lijst van basisrechter, the Bill of Rights. Koning Willem III en zijn Engelse eega, Mary Stuart, werden verzocht te komen in een Verenigde Vergadering van de twee parlementen, het Lagerhuis en het Hogerhuis. Deze lijst werd voorgelezen door de Lord Opperrechter. Die leidde haar in. En zei ook dat ze voortborduurde op de Magna Charta, die ik al noemde. Deze Glorieuze Revolutie (in het Nederlands ook bekend als de Roemrijke omwentelingen de Glorieuze overtocht) kwam neer op de tijdelijke machtsovername door de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje-Nassau en zijn echtgenote Maria Stuart als koning en koningin van Engeland, Schotland en Ierland in 1688-1689. De toehoorders wisten dat Willem een actief homofiel was en dat hij zeker geen dynastie zou stichten. Hij was dus een soort van stand-in voor de Stuarts die ook nog steeds geen jongens hadden weten te produceren. Ze konden dus volgens de regelen van het Salische Erfrecht nooit op de troon terecht komen. een vrouw kon wel soevereiniteit erven. Maar ze kon deze ultieme macht nooit uitoefenen. Niet op haar eentje. Dat had de goede Koningin Bess Tudor óók nooit gedaan, zo maakten de Engelse notabeen zich wijs. Maar het was toch een risico. Je wist het met die homofielen maar nooit.

Vandaar dat voordat de inhuldiging door de volksvertegenwoordiging plaats vond die lijst van rechten werd voorgelezen. De Koning en de Koningin moesten bij iedere volzin nadrukkelijke knikken dat ze de opgelezen rechtswaarborg begrepen, aanvaarden en accepteerden als uitdrukkelijke beperking van de Koninklijke uitvoeringsmacht. Dat knikken werd apart genotificeerd in een proces-verbaal dat onderdeel werd van de Handelingen van de Parlementen in Vereniging die gepubliceerd werden met de toevoeging dat deze rechten sedert onheuglijke tijden al steeds bij gewoonten waren aanvaard door alle Engelsen in hun kieskringen. Wederom: de lijst beperkte zich dus tot hen die kiesrecht bezaten en een vrij hoge census, belastingdrempel, waren gepasseerd in de kring waar ze woonden. Maar de kring van gerechtigden was nu in ieder geval belangrijk groter dan die van de Magna Charta. Een grondwet was het weer niet, want echt systematisch stonden de rechten er weer niet in en verder werd ook geen korte schets gegeven van de rechtsvormende staatsorganen en hun onderlinge verhoudingen en competenties. De scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht stond er weer eens niet in. En natuurlijk niet dat het in Engeland vrij was godsdienstig te geloven wat je wou en je dienovereenkomstig te organiseren. Integendeel: er stond in, maar veel aandacht werd er niet aan besteed, dat Engeland een theocratie was en dat het Anglicanisme de ideologie was die een rijksambtenaar moest volgen om inderdaad effectief aangesteld te worden.

Daar kwam het toch echt op neer en ook dat de aanstelling conform die ideologie moest worden vervuld. Daar zou Charles Darwin nog later enorme last van gaan krijgen, want hij was al heel snel nadat hij met de oorlogsbodem “The Beagle” de toenmalige Zuid-Amerikaanse Archipelgroepen was afgezeild ervan overtuigd dat hij wetenschappelijk kon bewijzen dat de mens een aapachtige gemeenschappelijke voorouder deelde met de mensapen. Net als de gemiddelde barrister in Engeland wilde Darwin, die een lage geestelijke rang had binnen de Anglicaanse kerk hogerop en minstens priester-kannunik  worden residerend in een rijke stadsparochie. En hij wist dat hij dus dat hij moest zwijgen van de biologische aapachtigheid van de menselijke herkomst. Want dat was echt niet te rijmen met de strekking van het verhaal over Gods schepping van Adam en Eva conform Genesis. Hij zweeg dus daarvan. Maar liet zich later toen hij al erkenning had als een groot bioloog in de erfelijkheidsleer wel ontvallen dat de mens een mammal was, een zoogdier. Daarmee kreeg hij als ambtenaar al moeilijkheden genoeg. Hij had daarom ook als ambtenaar een wat moeizame loopbaan. En zo was het ook met de Queens Council onder Victoria & Albert. Die saampjes koesterden dat Victoria Defendatrix of the Faith was en dat ze daaraan soevereine privileges ontleende jegens het Britse rechtswezen. En jegens de advocatuur in strafzaken die voor een jury gebracht konden worden. Ik verwijs voor de daardoor ontstane ingewikkeldheden, ook constitutioneel gezien, naar:https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/hare-meest-brittannische-majesteit-victoria-koopt-een-doxaal-uit-den-bosch-3 .