Absolutering territorialiteit

Het Joegoslavië-tribunaal begon echt te lopen. Goldstone, de eerste Openbare Aanklager, wist de vervolgingen nog redelijk te depolitiseren en te verheimelijken dat Washington het tribunaal bezigde als geopolitieke voorpost in zijn strijd tegen Rusland en het Slavisch massief. Er werden allerlei zaken aangebracht die overduidelijk betrekking hadden op troepencommandanten, hoger en lagere, die oorlogsmisdrijven hadden doen begaan, in de merkwaardige burgeroorlogen die waren losgebarsten in het rechtsgebied van de voormalige Zuid-Slavische Republiek waarbij de indagingen betrekking hadden op Serven én Kroaten, de twee eeuwige vijandige volkerenagglomeraties in deze regio die elkaar sedert de Slag op het Merelveld in 1389 waren gaan bestrijden. In de Slag op het Merelveld of Slag op het Lijsterveld (Slag van Kosovo) (Servisch: Бој на Косову of Косовска битка, Boj na Kosovu of Kosovska bitka) op 15 juni 1389 leed het Servische leger, gesteund door een samengesteld Balkanalliantie, onder leiding van vorst Lazar een nederlaag tegen het Ottomaanse Rijk onder leiding van sultan Murat I. Onder de Ottomaanse troepen bevonden zich de elitetroepen van de janitsaren. De Serven beschouwden zich als de wegbereiders van de verspreidingen van het Slavisch-Orthodoxe Christendom waarvan destijds Kyif of Kiew het sacrale metropolitane middelpunt was. Later zou zich dat verplaatsen veel meer oostwaarts naar Het Kremlin. Het gold hier, omdat de Kroaten destijds het primaatschap van Petrus als dogma onderschreven, een heilige oorlog. Dus trok men zich niets aan van het humanitaire oorlogsrecht dat destijds waarachtig ook al bestond. Deze oorlog mocht eindigen in Armageddon, een ultieme vernietiging van de mensheid.  Het heeft dan ook zijn wortels in het oude Testatement, waarin Jahweh de Joden inprent dat zij wel mogen annexeren wat in het Land van Melk en Honing van hun gading is, maar dat zij de bronnen van de overwonnen volken niet mogen vergiftgen, de oude wijnranken niet mogen wegsnoeien in de wortels en geen zout mogen uitbrengen op hun akkers. De slag werd geleverd bij ‘Fushë Kosovë‘ (letterlijk ‘Veld van de zwarte vogels’) in Zuid-Servië. Nadat beide vorsten gesneuveld waren, leidde prins Bajezid I de Turken naar de overwinning. Met deze overwinning kregen de Turkse Ottomanen toegang tot de Balkan en Centraal-Europa. Volgens de Servische epische traditie stierf Moerad niet op het slagveld, maar in zijn tent, waar hij vermoord zou zijn met een dolkstoot door de Servische edelman Miloš Obilić. De Turken zouden vervolgens uit wraak de Servische tsaar Lazar op het lijk van hun vermoorde sultan hebben onthoofd.

Rondom dit oerthema, volksepisch in de eeuwen aan beide zijde via ritmische volksrijmen breed uitgesponnen en van vele varianten voorzien, ging de strijd vanaf 1990 toen langzamerhand de Zuid-Slavische Republiek van Tito uiteenviel. Goldstone zag meteen in dat hij niet op die Slag bij  het Merelveld moest zinspelen bij zijn vervolgingsbeleid en ook niet op de godsdienstige aandriften van Serven en Kroaten om hun wreedheden te rechtvaardigen, waarin ze tegen elkaar opboden, inhoudelijk moest ingaan. Van het gastland werd hetzelfde verwacht, ook omdat het wegens het gastland-agreement neutraal behoorde te blijven, en dat zou er toe hebben moeten leiden dat het niet zou kiezen voor een USA-rechtvaardiging van hof en vervolgsinzet. Het  diende ruimtelijk en stoffelijk te faciliteren en niet meer. Dat kon het niet opbrengen. Het koos positie. Ten faveure van Washington. Het deed uitkomen dat het ingezette beleid een vooruitgang betekende voor het internationale humanitaire recht en koos daarmee voor de USA-zienswijze. Dat zag de Serven als de vaandeldragers van de Slaven. En die moesten tot iedere prijs teruggedreven worden naar het oosten. Louise Arbour, de Canadese opvolgster van Goldstone probeerde aan dat fatum te ontkomen, maar haar opvolgster Del Ponte had met die lotsbestemming geen moeite en maakte geen geheimen van haar USA-sympathië. Dat maakte de rechtshulppositie van het gastland erg ingewikkeld, vooral als het transporten moest organiseren om de doelstellingen van de USA te bereiken. Het fingeerde dat de transportmiddelen die daarbij ingezet werden exclaves waren binnen zijn territoir totdat de bestemming ervan bereikt was en strooide dus met ficties in die zin.

Ik ging daarop uitvoerig in in mijn “Gastlandperikelen” waarin ik deze fictie-poltiek besprak en vooral de defecten daarin. https://gerardstrijards.nl/the-hague-legal-capital-of-the-world/ Tegelijkertijd ging het Straatsburgse Mensenrechtenhof precies de andere kant op. Het besliste meermalen, ter duiding van de zinsnede “within their jurisdiction” die in het EVRM, het Europese Mensenrechtenverdrag bij de vleet voorkomt,  dat daarmee bedoeld werd “binnen het geografisch territoir van de staat die lid is bij het EVRM”. Wie toegang tot dat territoir had verkregen of tot die toegang genoodzaakt was geweest — bij uitlevering bijvoorbeeld — kon wat het Straatsburgse hof betreft, komen klagen over schending van het EVRM. De staat waar hij zich bevond kon dat niet verhinderen door te zeggen dat de klager binnen een exclave was in dat grondgebied. Een dergelijke benoeming tot exclave was dus zinloos in verband met de actieradius van het EVRM. Wie binnen het territoir was van de EVRM-lidstaat, kon uiteindelijk, exclave of niet, exterritorialiteit of niet, naar Straatsburg. Het EVRM hof had dan rechtsmacht. Ongeacht de aard van de exclave. Het leidde weer tot de absolutering van de waarborgen van de territorialiteit en het daarmee verbonden rechtsbeginsel. Het compliceerde de gastlandpositie dus.