De titel van dit Blogje lijkt op eerste lezing wat scabreus. Maar het grondrecht waarover we hier spreken komt er toch in alle vertalingen op neer dat iedereen toegang behoort te krijgen tot zijn regionale, “natuurlijke” rechter die de plaatselijke gewoonten vanaf zijn geboorte kent en mee heeft ontwikkeld in zijn beroep. Die rechter kent de culturele inbedding van die gewoontes het best. Die rechter kan ze in hun ontwikkelingsgang authentiek vertalen en vertellen waarom ze oorspronkelijk tot stand kwamen en zich in een bepaalde richting ontwikkelden. De “gemeynt” ter plaatse speelt daarin een overwegende rol: letterlijk de gemeente, de personele gemeenschap of sibbe waartegen het strafbaar feit als schending van de openbare vrede zich richt. Het privilegium de ius non evocando (of jus de non evocando) is een grondrecht dat direct samenhangt met het territorialiteitsbeginsel als waarborgnorm voor de vervolgde, de slachtoffers, de belanghebbenden op locatie. De gemeynt — ik gebruik hier dat oud-Nederlandse woord, dat in Holland ook “de meent” aanduidt, de gemeenschappelijke bezittingen die de gemeenschap nodig heeft om te overleven — heeft er belang bij dat de jurisdictie zichtbaar ter plaatse uitgeoefend wordt en herkenbaar blijft. De toren bij de kerk is zo’n bezitting, vaak ook het schip in de kerk als bedehuis, de Heilige Geesttafelen, de roerende goederen voor de armzorg en de voedselbanken. Het pest- en dolhuis. En de gemeynt heeft gezamelijk altijd een openbare brandkuil met brandweerspullen die iedere gemeentenaar of sibbegenoot mag bezigen en een openbare weide. De jongen die herdert over het tweekloevig vee dat de gemeente laat weiden over de heiden en de grassen in de omgeving, die bereikbaar zijn via herdgangen waarover erfdienstbaarheden van overpad zijn gevestigd, verzamelt daar met hoornstoten het vee in de vroege nevelige ochtend om zijn weiding te gaan doen. Daarom heen vormt zich de nucleus van de mensengroep, over wie de rechter zijn jurisdictie moet uitoefenen en waarin hij bij het volksrechtsgevoel, de plaatselijke rechtsintuïtie over wat rechtvaardig is, luiskeels moet aansluiten. Die rechter moet steeds en prompt aannaderbaar zijn via een eenvoudige luidkeels geroepen dagvaarding. Een rechtsaanhangige zaak moet echt uitgeroepen worden, verstaanbaar en begrijpelijk en de gedingtouwen moeten gespannen worden om rechters en justitiabelen van de toeschouwers te onderscheiden door ze te scheiden. Dat doet men door het krijt te trekken rondom de rechtsplaats. En van die rechter mag dus geen genoot afgetrokken worden. Het geldt een oud rechtsbeginsel dat betekent dat niemand tegen zijn wil mag worden weggeroepen van zijn wettelijke of vertrouwde rechter. Die verstaat de dorpsmythen, de dialecten en kent de grenskeien. Hij spant het geding, bepaalt de tijdsduur en de pauzes. Hij laat tevoren zekerheden stellen inbaar, als een partij de einduitspraak niet tenuitvoerlegt. Hij kan de gedaagde zelfs excommuniceren en buiten het recht stellen. Gaat een gemeentenaar naar elders, dan mag hij, wanneer hij daar wellicht gedagvaard wordt, die oorpronkelijke rechter erbij roepen. Want die kan wellicht vertellen, waarom de beschuldigde dacht dat wat hij deed mocht. Dat hij zich mocht verdedigen, of dat hij zich door wegneming mocht schadeloosstellen.

Die rechter moet proberen dat uit te leggen aan de mogelijke gekrenkten of slachtoffers van zijn beweerde delict. Het is het rechtsmachtstelsel dat uitgewerkt wordt door de gezaghebbende middeleeuwse commentator Bartholus de Saxoferrato. De zaak is, dat de gemeentenaren zelf hun rechtsschennissen afdoen. En dat ze daarbij niet hogere landsheerlijke of grafelijke machten in schakelen, die alleen maar belangstelling hebben voor verbeurdverklaringen, onttrekkingen aan het verkeer van het wellicht wederrechtelijk verkregen of genoten voordeel, boeten en gijzelingen op dwangsommen. Vroeger, in de eerste driehonderd jaar van de Middeleeuwen, betekende dit dat burgers of inwoners van een bepaald gebied het recht hadden om alleen door een lokale rechter uit hun taalmassief uit hun eigen streek berecht te worden, en niet door een externe of hogere landsheerlijke rechter. Voor de al genoemde Herder is dat de essentie van het Duitse recht, dat daardoor zuiver blijft en dicht bij de mensen voor wie het geldt. Het plaatselijke recht volgt dus de gemeyntenaar en daaruit vloeit voort het primaat van het personaliteitsbeginsel dat ook voor positieve jurisdictieconflicten kan zorgen. Dat moet ook weer voorkomen worden. Niemand schiet er iets mee op. De Franken gaan daar ook van uit, maar die rekent Herder tot het Germaanse ras, waartoe hij hun zwerftochten in de grote volksverhuizingen beschrijft. En dat doet Herder bij de Kelten ook. De Angelsaksen dus. Omdat Bismarck van plan is nog veel annexaties via oorlogen te plegen, in de periode 1871-1888 ziet hij veel in deze soort rechtsmachtaanmatigingen. Ze zijn historisch bij het volk van het nieuwe Duitsland heel goed te verkopen. Duits recht is beter recht. Koopt Duitse waar, dan helpen we elkaar. Maar zulk een excessieve aanmatiging is natuurlijk gevaarlijk voor de territoriale integriteit van de buurvolken, zoals de Nederlanders. Dat ziet de commissie-de Wal heel goed in. En daarom deze merkwaardige redactie van de artikelen 2 tot en 7 van het Algemeen Deel. De commissie volgt hier de uitwerkingen van Herder, maar stelt het primaat van het geografische territorialiteitsbeginsel voorop. Omdat het anders van Duitsland, dat letterlijk zijn grenzen niet wil kennen en aanvaarden, veel te veel inbreuken op het nationale recht te duchten heeft. De commissie beroept zich op de historiografische betekenis en geschiedenis van het rechtsmachtrecht tussen staten die in de Vrede van Münster hun volkerenrechtelijk geboorterecht hebben weten veilig te stellen, de alliantie van de Zeeven Geünieerde Provintiën voorop. Ze sluit aan bij een beweerd Middeleeuws recht: dat erop neer komt dat Landen en gewesten dit privilege voor duur geld kregen van vorsten, of hun militaire troepencommandanten en gouverneurs, zoals de Graven van Holland.
Een privilege dat juist in het interstatelijk verkeer uitgangspunt moest blijven zodat inwoners van deze moerasdelta niet voor een vreemd buitenlands of centraal hof gedaagd konden worden. De Grondwet sluit daarbij zonder omhaal aan. : Tegenwoordig leeft dit beginsel voort in de Nederlandse Grondwet via artikel 17, wat inhoudt dat niemand tegen zijn wil mag worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Dit garandeert een eerlijke en vaste rechterlijke bevoegdheid. Het jus de non evocando (Latijn voor “het recht om niet afgehouden (letterlijk: weggeroepen) te worden” is aldus een algemeen waarborgend rechtsbeginsel, inroepbaar voor het individu, dat iemand niet mag worden afgehouden van de rechter die normaal gesproken de jurisdictie heeft. De vraag blijft echter, wat dan “normaal” is. Want andere jurisdictietradities dan de Germaanse denken daar anders over. Daaronder de jurisdictiekringen die gebruikelijk waren in het Osmaanse Rijk dat ook uitgaat van een absoluut primaat van het personaliteitsbeginsel. De Turkse Strafwet volgt de Turk, die dat recht niet van zich kan afschudden. Daarom zijn de religieuze voorschriften van het centrale Turkse departement van Eredienst ook automatisch in Nederland onder strafbedreiging sanctionabel. En dat merkt Nederland tegenwoordig steeds vaker, vooral als Turkse mensen in Nederland bestookt worden in verkiezingstijd met Turkse rituele gedragsvoorschriften op oproepen vanwege dat departement van Eredienst, de Dyanet, dat kijkt hoever het te ver kan gaan in Nederland. En dat blijkt: héél erg ver. Daarbij kan zowel de absolute als de relatieve competentie van de rechtsautoriteit aan de orde zijn. Het jus de non evocando vindt mede zijn oorsprong in het Europese feodalisme. Daar kon iemand niet ontzegd worden om een proces te verkrijgen voor de rechter waaronder hij viel. Dit kon betekenen dat men niet berecht hoefde worden door een college van mensen uit een lagere stand. En niet door heidenen. Dat vindt Ankara tegenwoordig óók. En het vindt dat er in Nederland veel heidenen zijn.
