Strafwetboek voor de Noordduitse Bond

De commissie-de Wal verwees heel veel naar het ontwerp van een Strafwetboek voor de Noorduitsche Bond, maar volgde het bepaald niet klakkeloos. De commissie wilde juist zich er ook flink tegen afzetten,. Om de eigenheden van het Nederlandse stafrecht in nationale zin heel duidelijk te beklemtonen. Het Duitse Strafwetboek is echter vaak een heel goed interpretatie-instrument voor de historische bedoelingen van de Nederlandse wetgever. Het Strafwetboek voor de Noord-Duitse Bond (Strafgesetzbuch für den Norddeutschen Bund) van 31 mei 1870 is te beschouwen als een historiserend wetboek dat zich vooral afzet tegen de dominantie van het Franse Napoleontische Strafrecht. Dat was veel te individualistisch. Duits recht was eigenlijjk stammenrecht. De Duitsers hadden nooit de tribale middeleeuwse verbanden willen slaken, niet onderling, niet tegenover de rijksoverheid. Het ging eigenlijk vooral om de sibben, de bloed- en aanverwantschappelijke genootschapsverbanden en daarom had de Duitse filoloog en historicus Herder ook geen bezwaren tegen collectieve aansprakelijkheden. Maar dat had de klassiek liberale commissie-de Wal nu juist wel. En dat beredeneert ze en rechtvaardigt ze in het kader van haar strafrechtelijke aansprakelijkheidsleer. Bismarck zag het strafrecht wel degelijk als een geopolitiek instrument om het nieuwe Duitsland op de kaart te zetten. De basisgedachten ervan zijn ontleend aan de genoemde Duitse filoloog en filosoof  Johann Gottfried Herder, die de gemeenschapsidee weer wilde herintroduceren in het publieke recht van het Duitse Rijk.
Het vormde de directe juridische basis voor het latere Duitse Keizerlijke Strafwetboek (Reichsstrafgesetzbuch) uit 1871 en is tot op de dag van vandaag de fundamentele grondslag van het huidige moderne Duitse strafrecht. Achtergrond en totstandkoming van het Rijksstrafwetboek: Inwerkingtreding: Vastgesteld op 31 mei 1870 en van kracht geworden in 1871 (en later uitgebreid). Grondslag: Het wetboek was grotendeels gebaseerd op het oudere Pruisische strafwetboek uit 1851. Initiatiefnemer: Onder leiding van rijkskanselier Otto von Bismarck ontworpen om het recht in de Noord-Duitse staten te verenigen. Belang en impact: Eenwording: Het zorgde voor eenheid in het strafrecht binnen de 22 aangesloten Noord-Duitse staten. Continuïteit: Na de oprichting van het Duitse Keizerrijk in 1871 werd de wet nagenoeg ongewijzigd overgenomen als het Reichsstrafgesetzbuch. In Azië vond het Wetboek veel navolging: in Japan en vooral in Turkije waarmee keizerlijk Duitsland nogal innig was. Het is in deze staten nog steeds een interpretatieinstrument. Maar de commissie -de Wal was bereid het Duitse ontwerp zoveel mogelijk te volgen op het stuk van het jurisdictie- of strafmachtsrecht. Juist om met de pulserende oosterbuur ieder conflict over de heerschappij van het nationale recht te vermijden. De Duitsers gingen uit van een voorgegeven Treupflicht tussen Germaanse onderdaan en staat. In het buitenland moest de Duitser het Duitse recht blijven gehoorzamen. Maar de Duitse staat moest daartegenover dan ook de Duitse onderdaan beschermen tegen buitenlands strafrecht. Dat kon alleen toepasselijk zijn als de Duitse staat daartoe machtiging gaf. In het nieuwe Duitse Strafgesetzbuch staan in het Algemene Deel dergelijke machtigingen. In 1871. Maar je vindt ze er heden ten dage nog. Het Duitse recht is veel meer afgestemd op de Teutonische Natie van het Heilig Roomse Rijk uit de middeleeuwen. En natie die als gemeenschap in het rechtmachtrecht erkend moet worden. Hitler gaf dan ook aan het personaliteitsbeginsel het primaat. En geen wonder. Hij gaf leiding aan één Volk. Dat één Führer gehoorzaamde. In ere, die trouw heette. Dat stond op de koppelriemen van de Zwarte Waffen-SS.
Daarom eiste Duitsland doorgaans ook dat de strafbaarheid die het buitenland aannam op gelijke wijze erkend was in Duitsland, op basis van volstrekte wederkerigheid. Dat kon Nederland niet waarmaken. Het had veel meer kolonieën dan het aankon en veel te weing doorzettingsmacht. Wat bleef was dus dat primaat van het territoraliteitsbeginel en het privilegium de ius non evocando. Waarbij aangetekend zij dat het toch óók weer een uitwerking is van de Treupflicht van de staat jegens de rechtmatig in Nederland verbljvende. De vraag is alleen: wanneer geldt een rechter in Nederland als de “natuurlijke rechter” en waarom zou dat de regionale zijn? De commisie-de Wal gaat daar niet verder op in, want dat vindt ze geen strafrechtelijke kwestie, maar een van strafvorderlijke of procedurele aard. Dat ligt in Duitsland anders, want dat had doorzettingsmacht in overvloed, graag zelfs — de zoëven besproken Limburgse kwestie bewijst het —  en dat had weinig koloniaal gebied waar het zich druk over kon maken. Dat kon nog komen, maar als het aan Bismarck zou liggen, dan niet overzee. Maar het lag niet aan Bismarck. Het hing af van Keizer Wilhelm II en die kon geen koloniale aanspraken genoeg uitbrengen, want Duitsland kwam Weltmacht toe. Maar ook hij vond dat ook in buitenlandse strafaangelegenheden Duitse rechtisngang geborgd moet zijn, wettelijk en verdragsmatig. Dat zou Hitler met zijn betoverende Wehrmacht later ook doen.