Hoewel het specifieke NRC-interview van 11 oktober 2026 zich toespitst op de Amerikaanse sancties en Sands’ bredere visie op de veerkracht van het internationale recht, laten de bredere juridische analyses van Sands en het functioneren van het hof het volgende zien over de rol van een gastland bij internationale arrestaties:
- Geen discretionaire ruimte bij arrestatiebevelen: Wanneer het Internationaal Strafhof (ICC) een arrestatiebevel uitgevaardigd heeft, heeft het gastland – of elk ander land dat het Statuut van Rome heeft geratificeerd – de strikte verplichting om dit bevel uit te voeren zodra de verdachte zich op hun grondgebied bevindt. Een gastland kan er niet soeverein voor kiezen om “neutraal” te blijven om zo de relatie met een machtige bondgenoot zoals de VS te sparen.
- De onafhankelijkheid van de aanklager: Sands benadrukt vaak dat de hoofdaanklager van het ICC onafhankelijk opereert en geen toestemming nodig heeft van staten of de VN-Veiligheidsraad om onderzoeken te starten of arrestatiebevelen te eisen. Dit betekent dat het gastland politiek gezien voor voldongen feiten kan worden geplaatst door acties van het hof zelf.
- De paradox van Amerikaanse druk: De VS oefent zware politieke en economische druk uit (zoals sancties) om te voorkomen dat westerse functionarissen of bondgenoten worden vervolgd. Sands stelt echter dat het internationale rechtssysteem uiteindelijk ook in het belang van de VS is. Pogingen van Washington om bondgenoten (en het gastland) te dwingen afstand te nemen van het ICC, zetten de diplomatieke relaties op scherp, maar heffen de formele verplichtingen van het verdrag niet op.

Kortom, een gastland kan zich bij internationale arrestaties niet zomaar afzijdig houden; de verplichtingen onder het internationale recht dwingen het land kleur te bekennen, ongeacht de politieke druk van bondgenoten. Dat houdt echter ook in dat het gastland zich verre moet houden van enige positiekeuze in een lopend of opdoemend conflict tussen ICC enerzijds en enige staat anderzijds. Het moet steeds desgevallend antwoorden, gestandaardiseerd, dat het zich zal voegen naar de verdragsrechtelijke verplichtingen die het heeft jegens ICC, de Assembly of States Parties bij het ICC zonder daarbij zich uit te laten of een rechtsaanhangige casus wel of niet valt onder de jurisdictiekring die het Statuut van Rome toedacht aan ICC. Dat houdt dus mede in dat men als gastland zich er niet over uitlaat of een zaak voldoet aan alle voorwaarden om actuele rechtsmacht uit te oefenen door het ICC. Men kan als Nederland minister van Buitenlandse Zaken slechts desgevraagd stellen dat men erop vertrouwt dat de rechterlijke rechtsingangkamer zich ter dege ervan vergist heeft of deze voorwaarden inderdaad vervolgd zijn naar de maatstaven die het ICC-Statuut daartoe uitdrukkelijk opgeeft. Dat vertrouwensbeginsel gaat ook in deze relatie op, zoals het ook geldt in iedere klassieke rechtshulpbetrekking. Dat kost Nederlandse bewindspersonen nogal eens, als vertegenwoordiger van het gidsland van de wereldgemeenschap, moeite. In het geval van de dagvaarding tegen Nethanyahu als zittend regeringsleider, die door Khan nog gedagvaard werd als bevelsbevoegde meerdere bij het begaan van genocide op Palestijnen bleef het kennelijk voor de bewindspersoon mogelijk zich op de achtergrond te houden. Dat is niet gek voor een natie die toch al vond dat de supranationale rechtspleging in de schaduw van de Amsterdamse Westertoren dient te worden samengesteld. Het was niet aan deze bewindspersoon om vast te stellen dat aan alle voorwaarden voor de rechtsmachtuitoefening van ICC was voldaan. Omdat deze zijn samengevat in het uiterst gecompliceerde complementariteitsbeginsel dat in het Statuut niet afdoende en uitputtend wordt gedefinieerd is dat iets wat door de ICC-rechters moet worden vastgesteld op een openbare zitting. Nadat de inleidende rechtsingangkamer een beslissing heeft geveld waarin bevestigd wordt dat de dagvaarding op het eerste gezicht voldoet aan alle complementariteits-eisen, waaronder die, dat het aannemelijk is dat de vervolgde het specific intent heeft gehad dat de delictsomschrijving van genocide vergt. Dus: het eindoogmerk om een bevolking op grond van biotische rassen- en etnische kenmerken volledig uit te roeien. Een moeilijk bewijsthema.
Dat Khan destijds die dagvaarding sloeg en deed uitgaan was overduidelijk gebeurd om de aandacht af te leiden van de interne onderzoeken naar zijn seksueel ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag jegens vrouwelijke minderen. En dat hij daarom slordigheden beging bij de documentaire voorbereiding van die dagvaarding óók. Nederland als gastland zal doorgaans ervan uit moeten gaan dat de aanlevering, de arrestatie en de detentie van een gedagvaarde verdachte voor ICC rechtmatig en verdragsmatig hebben plaats gehad. Het zal dat dus niet toetsen op grond van het vertrouwensbeginsel. Maar hoe meer het ICC gepolitiseerd wordt door Aanklagers en soms door ICC-rechters, hoe meer dat vertrouwensbeginsel onder druk komt te staan. Dan zal het gastland op een gegeven moment aan Aanklager of ICC aanvullende kritische vragen moeten stellen. Zeker als de ervaring leert dat de aanlevering vaak strijdig is met dwingende volkerenrechtelijke beginselen. Bij het Joegoslavë Tribumaal (ICTY) was dat al meerdere malen op het eerste gezicht het geval. In het geval Milosevíc was zonneklaar dat de politieke concurrent van Milosevíc in de race om het presidentschap over Servië wilde lozen. Dat was Djindjíc. Die won de verkiezingen deswege. Maar Milosevíc kon terecht erover klagen dat hij deze aanstaande verwijderingshandeling bij de nationale uitleveringsrechter had willen aankaarten op basis van het privilegium de ius non evocando. De Grondwet van Servië gaf hem dat grondrecht ook. Niettemin werd hij van zijn bed gelicht en met kop en kont over de schutting geworpen. Naar Den Haag. Naar het ICTY. De Nederlandse burgerlijke rechter, in kort geding benaderd door Milosevíc, wilde van deze zaak geen kennisnemen en verwees onvoorwaardelijk naar ICTY. Dat kon wellicht toen nog. Maar in een geval als dat betreffende Nethanyahu zal dat echt niet meer kunnen, gelet op hetgeen is gebleken bij het door ICC opgestarte onderzoek naar de manier waarop Khan zijn dagvaarding met arrestatiebevel tegen de Israëlische regeringsleider naar buiten bracht en op grond van welke motieven. Daar zal uiteindelijk het gastland iets van moeten vinden. Daarin komt dat gastland Kompetenz-Kompetenz toe, of Sands dat goedvindt of niet op grond van hooggestemde beschouwingen over het volkerenrecht in het algemeen. Het gastland is bevoegd om te beoordelen of het ICC wel bevoegd is voor zijn strafvorderlijke acties en de jurisdictie bezit die het Statuut van Rome 1998 het daartoe toekent of overlaat. Handelt het ICC wel binnen zijn volkerenrechtellijke bevoegdheidskring? Onze Nederlandse Grondwet kent het privilegium de ius non evocando nu eenmaal ook. En in alle omvang. Daarvan zal de Nederlandse rechter straks wellicht iets van moeten vinden. Laten we hopen dat het de rechter is, die dan daarover oordeel velt. En niet een politiek verantwoordelijk minister van Buitenlandse Zaken. De minister van het gastland dus. Dat zo graag de ontwikkeling van de supranationale rechtsorde bevordert. In de zaak tegen de Israëlische regeringsleider kon het wel eens wezen dat dat gastland werktuig blijkt van HAMAS.
