Damesklets

Thor zag, proefondervindelijk, sedert 1840 heel goed dat ministers zich onder druk van de Koning maar zelden echt naadloos aan het constitutionele bestel hielden. Dat had hij in Pruisen óók ervaren: de hofhoudingscamarilla van de Pruisische Koning had stomweg de pest aan het constitutionele budgetrecht van de Pruisische Volksvertegenwoordiging, vooral ten aanzien van de militaire begroting. Die vrienden van de Koning, die zelf nogal schrikachtig en kortzichtig was, trachtten via allerlei geheime overeenkomsten met vooral Joodse bankiers enorme langlopende leningen te plaatsen.

Zulks ter financiering van legerhervormingen, vooral betreffende de langere termijn logistiek op het gebied van militaire spoorwegen, mobiele artillerie, genie – leggen van bruggen en opmarsroutes – mobilisatievoorzieningen – de inrichting van afwachtingsopstellingen voor de infanterie – en de verkenningsdiensten, vooral via spionage. Uiteindelijk zou de kanselier Bismarck sedert 1862 bijna al deze soort flankerende maatregelen laten financieren uit een door de Joodse bankiersfamilie beheerd geheim leningensysteem dat weer uitgezet was via Parijs, via het hoofdkantoor van de Rothschildts aldaar.

Daaraan kon alleen de persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Pruisische ministers een halt toeroepen, net als in Groot-Brittannië: een minister die aldus de openbare Rijksbegrotingswetten die jegens de volksvertegenwoordiging te verdedigen en rechtvaardigen waren probeerde te ontwijken, moest weten, dat hij het zwaard van Damocles steeds boven het excellente hoofd had hangen aan de spreekwoordelijke zijden draad. Een doodvonnis werd destijds nog steeds met de hakbijl van de Berlijnse scherprechter uitgevoerd. Die hakbijl hoefde van Thor niet. Maar wel die draad.

Hij begon haar dus sedert 1840 te spinnen. Zo is het helaas in het intermenselijk verkeer steeds. Dat vond ook de Groepschef van het personenvervoer van de Rotterdamsche Electrische Tramwegmaatschappij, als het ging om de controle van het publiek op de bijwagen op geldige vervoersbewijzen. “Ze motte het zwaard van Damesklets kenne voelen hangen, die gasten!” sprak hij steeds sonoor, hartig en manhaftig, wanneer de conducteur van de motorwagen dat weer eens langere tijd had nagelaten bij regenachtig weer.

Want zo’n conducteur moest dan bij hoosbuien overstappen uit de behaaglijk verwarmde motorwagen. En door de stortbui heen waden naar die bijwagen op de rangeerlus bij sportpaleis SPARTA in het Oude Westen. Over de verbindingskoppeling hóóg heenstappen. Met opgetrokken knieën. En dan, doorgaans flink nat, instijgen in die kille bijwagen om de plaatsbewijscontrole gemelijk te verrichten, want hij zou nu tot het eind van de rit van lijn elf zijn klamme uniformjas met cape blijven voelen kleven. Het had dan altijd prijs, wanneer hij tevoren langere tijd  die controle had nagelaten op die lijn. Grote prijs zelfs.

“Ja”, zei de Hervormde Groepschef dan vaderlijk: “je mot wezen als die leeuw uit de Bijbel. Gaande, briesend door de staten van Jerusalem. Zoekend wie hij zal verslinden. Dat hadden de Farizeeërs nodig. En Jan Publiek óók. Dat mot nooit kenne voorzien wanneer die leeuw toeslaat. Maar ze muil mot steeds boven hun farizeeërskoppen hangen.” Bij ministers en politici, topambtenaren, rechters, kantoorgenoten van de landsadvocatuur en troepencommandanten moet het niet anders wezen. Slechts die dreiging brengt de juiste constitutionele en wetmatige rechtgelovigheid en zuiverheid in de leer te weeg.

Dat ervoer Bismarck destijds ook, toen hij bij de Joodse bankier Bleichröder voor de financiering van al zijn verschrikkelijke oorlogen die de Pruisische volksvertegenwoordiging niet wilde en waaraan zij ieder budget onthield, voor een astronomisch bedrag in het krijt was komen te staan. Buiten de wetten van het rijk om. Illegaal. Hij werd gijzelaar, permanent, van Bleichröder. Die had hem volkomen in de greep. Ook al had de IJzeren Kanselier na de stichting van het Duitse Keizerrijk het ganse rijksapparaat op het oog volledig bij de teugel, hij was nog nooit zo kwetsbaar geweest. Als de Rijksdag vervolgens de Kanselier maar in staat van beschuldiging had durven stellen, was de toekomst van het Avondland heel wat zonniger geweest. Geen autogenocide van Duitsland, geen Armageddon.