De nieuwe contracten van correspondentie 1813-1848

Het valt Fruin overduidelijk moeilijk om Willem III te bekritiseren. Fruin is immers aangesteld om de Oranjes de hemel in te prijzen. Dat het zulke militaire strategen waren.  Dat ze steeds ’s lands belang vóór alles stelden. Dat hun devies was dat Oranje nooit en nooit genoeg voor Nederland kon doen. Daarom verhaalt Fruin ook uitvoerig, dat de koning-stadhouder het echt heel moeilijk heeft gehad. Hij was, om zo te zeggen, alleen maar corrupt en deed corrumperen om de Nederlanden hun staatszelfstandigheid te doen behouden.  Daarom was de koning-stadhouder eigenlijk alleen maar corrupt als het echt niet anders kon. Om de onsterfelijke Ien Dales, ooit sociaal-democratisch minister van Binnenlandse Zaken maar eens te citeren: Willem was zo min mogelijk corrupt. Omdat “een beetje corruptie” niet kan bestaan. Je bent corrupt of niet, zei Dales steeds. Het is geen gradueel maar een principieel begrip. Daar heeft Fruin moeite mee, omdat hij juist heel veel goed moet schrijven over de koningen Willem I, II en III wier corruptie redelijk ten hemelschreiend was, iets wat in Fruins tijd steeds duidelijker aan het daglicht trad..Je moet daarom bedenken  zegt Fruin, dat Willem III de stadhouder en koning toch wel heel veel vijanden had en dat hij een dure reeks militaire operaties moest leiden. En dat kon helaas niet anders dan door enige corruptie. Het was allemaal voor het goede doel. Fruin merkt aan: “ Gedurende den geheelen tijd van zijn bestuur stonden de buitenlandsche zaken op den voorgrond; zij hielden hem bijna uitsluitend bezig. De binnenlandsche politiek was daaraan ondergeschikt en moest daaraan dienstbaar wezen. De groote staatsman achtte zich verplicht en door de Voorzienigheid bestemd om de onafhankelijkheid van Nederland en het evenwicht van Europa tegen het overwicht van Frankrijk te handhaven. Doch aan deze bestemming kon hij niet beantwoorden, dit doel kon hij niet bereiken, als hij bij iederen maatregel, dien hij noodig keurde, beginnen moest met de ijverzuchtige en flauwhartige regenten, die zijn souvereinen heetten, van die noodzakelijkheid te overtuigen. Hij wist dat voor de meesten hunner de hoogere belangen van vrijheid en geweten weinig te zeggen hadden, dat bij hen het vermijden van uitgaven en het oogenblikkelijk gewin de hoofdzaak waren; en zijn politiek stoorde tijdelijk den handel en vorderde onmetelijke sommen. Hij wist bovendien dat de Fransche diplomatie met haar zoete woorden en haar klinkende munt zich een partij onder de regenten verwierf, wier taak het was hem te belemmeren en werkeloos te houden. Vooral tusschen 1678 en 1684 voelde hij zich door die tegenpartij de handen gebonden en tot niets doen veroordeeld. Was het wonder dat hij om zijn heilrijk doel te bereiken, om aan zijn grootsche roeping te gehoorzamen, de kleingeestigen, die hij niet kon overtuigen, onschadelijk maken, hen omkoopen of wegjagen wilde? dat hij de vroedschappen der stemhebbende steden, die in Holland regeerden, zocht op te vullen met zijn creaturen, die zooal niet uit overtuiging, althans uit baatzucht of uit zwakheid van karakter hem blindelings wilden volgen, die werktuigen in zijn hand, geen hinderpalen op zijn weg wezen zouden? “

Fruin doet nu verder alle moeite om te demonstreren hoe nobel en integer Koning Willem I was en bleef toen hij in 1813 een totaal berooid Nederland uit de barre nood der tijden kwam verlossen. Geld en goed had Willem I veil daarvoor. Maar toch zit het Fruin bij deze voorstelling van zaken weer dwars dat Willem I ook zich geen barst aantrok van de begrotingsdiscipline die de parlementaire verantwoordelijkheid van het kabinet impliceerde via het feit dat alleen bij wet in formele zin de Rijksbegroting voor het hele Koninkrijk kon worden vastgesteld. En men bedenke dat in Fruins dagen die verantwoordelijkheid iets geheel nieuws was. Wat ze precies betekende voor de ministers die de begroting opstelden was echt nog niet duidelijk in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Bovendien bleek nu navrant, binnen het door Thorbecke opgestelde verantwoordingssysteem, dat Willem I sedert 1814 ook allerlei geheime potjes en afspraken tot zijn  beschikking had om gaten in de financiële verantwoordingsplicht te schieten. Een van die potjes bleek een schimmig fonds te zijn dat ook “Amortisatiefonds” of “Amortisatie-syndicaat” werd geheten. Waar dat zijn centen vandaan had, hoe en onder welke boekhoudkundige posten, bleef nog steeds ook na 1860 een raadsel. Welke zorgtaken Willem er mee financierde eveneens en ook hoe hij dat wegschreef onder vage rubrieken — alleen dat hij dat had gedaan in onvoorstelbare mate. Dat Amortisatiesyndicaat was een financiële instelling in het Koninkrijk der Nederlanden die in 1822 bij koninklijk wetsbesluit werd opgericht door koning Willem I. Doel en taken en de voorziene schuldaflossing bleven mysteries: Amortisatie betekent letterlijk het aflossen of delmieren van schulden. Het syndicaat moest helpen om de grote staatsschuld te verminderen.

Het besteedde publieke werken aan: Het financierde projecten van algemeen nut, zoals de aanleg van wegen, kanalen en inpolderingen. Buiten het parlement: Koning Willem I gebruikte de kas om staatsfinanciën en projecten te financieren buiten de controle van de volksvertegenwoordiging om. Maar Willem  gaf geen dekkingen aan. Uiteindelijk was het Minister Van Hall, die als bewindspersoon het staatsbankroet wist te voorkomen via allerlei noodoplossingen. Gedurende de periode 1813-1844 was er sprake van toenemende financiële problemen van het Rijk. Dat was deels een ‘erfenis’ uit de Franse tijd, die veel extra lasten had meegebracht. In belangrijke mate werden de problemen echter ook veroorzaakt door de ambities van koning Willem I en door diens na 1830 (te) lang volgehouden poging om de scheiding van Noord- en Zuid-Nederland ongedaan te maken.

De financiële problemen speelden zich af in een periode waarin het parlement nog nauwelijks greep had op de overheidsuitgaven. Een deel van die uitgaven werd bovendien doelbewust door de koning (Willem I) uit het zicht van de Kamerleden gehouden. De strijd van het parlement om daarop meer greep te krijgen, speelde een belangrijke rol bij vergroting van de parlementaire macht. In 1840 werd met de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid daartoe een eerste stap gezet. Die strafbaarheid werd echter nooit ingezet als sanctiemechanisme. Niet omdat zulks niet nodig was. maar omdat er weer te veel regenten bij deze gang van zaken betrokken waren. Zo zou het blijven. Tot op heden toe. Het was in 1844 uiteindelijk minister Floris van Hall die het dreigende staatsbankroet wist af te wenden. Hij gebruikte daarvoor een methode die ook later nog wel eens werd gevolgd: een ‘vrijwillige’ lening met belastingverhoging als stok achter de deur.

.