Het is opmerkelijk, dat de verschillende ontwerpen voor de strafvorderlijke hoofdstukken kennelijk steeds in het wetgevingstraject aanhangig zijn gemaakt op instigatie van de academische wereld, die in deze uitrol overduidelijk het voortouw bleek te hebben, zonder dat tegelijkertijd per onderwerp rekenschap werd gegeven van de stand van de razendsnelle ICT-ontwikkelingen in de bijpassende digitale snelwegen en communicatiekanalen. Een rekenschap gericht tot de medewetgever in de twee kamers van de Staten-Generaal. Was datgene wat via deze wegen gecommuniceerd behoorde te worden aan informatiedragers en beelddragers aan de vervolgde, diens verdediging, de slachtoffers, hun betrekkingen en eventuele belanghebbenden steeds per procesfase authentiek, autonoom en onschendbaar voor intellectuele vervalsingen of pogingen daartoe over te brengen aan de adressanten en hun gemachtigden? Hoe werd dat per uitvoeringsarrangement geborgd en hoe kon daarvan gecertificeerd gewaagd worden ten behoeve van de uiteindelijke zittingsrechter? Wat voor bewijsuitsluitingsgronden konden hier een rol spelen en hoe konden die tot gelding worden gebracht?

De aandacht van de ontwerpers uit de academische gremia ging vooral uit naar de rechtsbescherming van de vervolgde, de daarbij wettelijk te verankeren rechtsnormatieve beginselen uit de traditionele verdragspositie van Nederland voortvloeiend – en hierbij ging het voornamelijk om het Europese Mensenrechtenverdrag van de Raad van Europa zoals deze binnen de Angelsaksische traditie vertaald werden – en de rechtsmiddelen en behoeve van de vervolgde en de eventuele schorsende werking ervan. Dat was niet anders te verwachten van een universitair bestel dat het thema “due process” uit de twee partijen-stelsel – het beroemde adversarial system – sedert de zeventiger jaren tot tiranniek onderzoeksthema had verheven. Pas nadat het College van Procureurs-generaal te ontijdiger ure – immers veel te laat – had meegedeeld dat het de congruente ICT-beddingen niet kon leveren is men aandacht gaan besteden in het aanhangige traject van uitvoering aan de technicité van dergelijke adequate, weersbestendige beddingen.
Maar de verantwoordelijke bewindspersoon antwoordde desverzocht op de traditionele wijze: dat alles zou afgeregeld worden bij uivoeringsmaatregelen van algemeen bestuur. Op te stellen bij wetsbesluiten in de vorm van een veelvoud van Algemene Maatregelen van Bestuur. Mogelijk met subdelegaties en verdere mandatering. De prangende vraag is vooral hoe dat te rijmen met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel. Want de formele wet zelf zou bijvoorbeeld over de positionering, opbouw en integriteitsborging van de cloud daarbij best de borgende basale uitgangspunten en randvoorwaarden mogen inhouden. Die cloud immers in de nucleus waar het straks allemaal om gaat draaien. Wat bedoeld men met die cloud, die ICT wolk in dit verband?
Cloud ICT is het via het internet leveren en gebruiken van computergestuurde diensten, zoals online werkplekken, software, servers en dataopslag. In plaats van programma’s lokaal op een eigen computer te installeren of een fysieke server op kantoor te beheren, maakt de applicant gebruik van de infrastructuur van een externe provider. Het bedrijf op private grondslag dat daarin gespecialiseerd is. Dat gaat te maken krijgen met bezoekers die zoekopdrachten gaan geven en daarmee afhankelijk worden van de door de provider gehanteerde systemen en semantieken. Omdat de zoekopdrachten erg breed zullen zijn, vaak meerduidig zijn en in eerste instantie vreemd aan de gebezigde systematiek wordt van belang welk model van een cloud hier gebezigd gaat worden. Om maar eens iets te noemen.
Er zijn nu eenmaal verschillende cloudmodellen, afhankelijk van de doelstelling van de cloud en van de plaats waar de cloud zich bevindt. Omdat daarbij de regelgeving een rol kan spelen van publiekrechtelijke aard. Een cloud wordt opgesteld en samengesteld binnen een commercieel netwerk. Waarbij de providers winstbejag nastreven. Er zijn verschillende voordelen voor bedrijven en populaire toepassingen mogelijk. De drie belangrijkste cloudmodellen zijn bekend onder drie afkortingen. IaaS (Infrastructure as a Service): De provider levert de basisinfrastructuur via het internet, zoals virtuele servers, opslagruimte en netwerkmogelijkheden. Men beheert zelf de besturingssystemen en applicaties. PaaS (Platform as a Service): De provider biedt een online ontwikkelomgeving aan. Dit stelt ontwikkelaars in staat om applicaties te bouwen, testen en beheren zonder zich zorgen te maken over de onderliggende servers. SaaS (Software as a Service): Kant-en-klare softwareoplossingen die direct via de webbrowser of een app te gebruiken zijn. De provider regelt al het onderhoud en de updates.
