Inmiddels raasden verschillende reorganisatie-vloedgolven die gaandeweg uitrolden tot ware personele tsunami’s door de burelen van het Haagse departement van Justitie. Dat had ik daar aan de vijfenveertigste straat in hoogzomers en supervochtig New York best in de gaten, omdat zo nu en dan mij noodkreten toch bereikten van mijn ex-collegae die mij inmiddels ook wel benijdden omdat ik als een soort buitenissige verkenningsexpert een voorpost had betrokken in de USA. Sorgdrager was er flink de bezem aan het doorhalen, in de gelederen van de supermannelijke topambtenaren die steeds de dienst hadden mogen uitmaken, vooral nadat zich het beschamend drama had voltrokken dat bekend staat als het “Klem in de Draaideur” scenario of de muiterij van de crème de la crème van de Nederlandse magistratuur zoals een gehinderde premier Kok de ronduit ridicule gebeurtenissen die zich hadden voorgedaan tussen Harry Borghouts enerzijds, de nieuwe secretaris-generaal van Justitie enerzijds en de dikke, pad-achtige Arthur Docters van Leeuwen als de eerste super procureur-generaal anderzijds. De adrenaline was in de muren van het departementsgebouw getrokken en de totesterondampen waren maar niet weg te filteren ook al stonden de ventilerende schachten in de corridors op maximumsterkte.

Harry scheen het conflict gewonnen te hebben, dat begreep ik uit de verhakselde berichten die ik per fax ontving. Maar als dat al zo was, dan leek het toch verdomd veel op een Pyrrhus-victorie. De zaak moest organisatorisch maar helemaal op de kop, besloot de Minister, en ze schakelde de KPMG in als een soort forensische dienst die nieuwe beheerskaders moest opzetten, waarin ook vrouwen nu eindelijk eens aan het bod konden komen en hoog doorstoten. Er kwamen dus twee dames die van wanten zouden weten, mevrouw Prof Mr Dr Tineke Cleiren als Directeur-Generaal Rechtspleging, Rechterlijke Macht en Politiewezen en mevrouw Riet Galensloot als Directeur-Generaal penitentiaire diensten, reclassering, en tenuitvoerlegging sancties en maatregelen. De oude beheersraad werd opgeheven en twee Directeurs-Generaal werden aan de kant gezet. Wegens voortgezet falen. Er kwamen nu via Borghouts vele nieuwe veelbolvende krachten over van het departement van Binnenlandse Zaken. Waaronder mijn nieuwe chef. De directeur Wetgeving, bekend als hulp in de huishouding van Borghouts. En beide leidinggevenden zegden de oude resterende gardes geducht de wacht aan, met donderende stem en vileine sarcastische stemmen, waarbij tevens de oude directeuren en hun staven schamper afgedankt werden. Er werd een wat cabareteske vertoning van gemaakt in de Dr Anton Philipszaal, een soort Actie Tomaat gelijkende klucht waarmee de jongere acteurs en toneelschrijvers oudere gezeten toneelspelers en regisseurs in de zeventiger jaren letterlijk van het toneelpodium hadden afgejaagd. Met rookbommen. Met joelende spreekkoren. Met vunzige recensies en partijdige kunstcommentaren en met eieren en tomaten die door de zaal vlogen maar niet veel schade aanrichtten.
Mijn oude directeur, Mr Jan van Angeren, werd achter de coulissen weggewerkt en kwam tijd te kort zijn leed te klagen over het onrecht hem aangedaan, want hij had ook kort te voren De Leeuw nog gehad met veel loftuitingen. Zo gaat dat in het land van de Grote Mensen. Ik zou dat zelf ook mogen ervaren. Zo blijft in dit smartelijk ondermaanse alles ongeveer hetzelfde niettegenstaande bloedneuzen en nodeloos heftig geschreeuw. Maar ik bleef er voorlopig toch buiten. Ik zat hoog en ook wel droog op mijn appartement en liep in de zondagen heel Central Parc om. Met Arnold Skibsted, de expert uit Denemarken, die, gek genoeg, ongeveer hetzelfde meemaakte als ik wat reorganisaties betreft. Met genoegen denk ik daaraan terug. Arnold en ik luisterden dan devoot naar de eenzame trombonist vlak bij de sculptuur die de overgang van Alice in Wonderland uitbeeldde naast de grote vijver waar de New Yorkers hun scheepsminiaturen radiografisch bestuurd doen uitvaren en soms zelfs hele zeeslagen uitvoeren waarbij iedereen wint. Zo staat mij de slag bij Jutland nog levendig voor de geest. Omdat de trombonist gelijktijdig loeiend zijn koper deed weeklagen met als basisthema “Send in the Clowns“. Een evergreen. Hoewel veel pantserslagschepen in de echte Slag bij Jutland gekelderd werden, bleven de miniatuurtjes toch dapper om elkaar heen draaien, bevallige pirouettes draaiend alsof het niets kostte. En dat louterde. Ook al zagen Arnold en ik in, dat we met een hopeloos project op staatskosten nodeloos doende waren. Omdat niets ooit goed komt voordat de bazuinen hebben geschald ter inleiding van het Laatste Oordeel. Als ze dat bij de KPMG nu maar hadden ingezien. Maar daar werden de knaken verdiend die beter aan herbestrating van Het Plein hadden kunnen worden besteed. Dat zie ik nu goed in.
