De Wijkersloot XIV en Steenhuis

Het toppunt, zeker ook rechtsstatelijk: de zaak van Minister Winnie Sorgdrager en de Procureurs-Generaal 1998

De hiërarchische verhoudingen tussen de Minister van Justitie als hoogste gezag over het Openbaar ministerie enerzijds en de procureurs-generaal verenigd in hun College aan de Prins Clauslaan 16 in de residentie derailleerden volledig door die zaak van Sorgdrager tegen de hoogste bazen van het Openbaar Ministerie in de lente van 1998. Ze werd ook wel bekend als “de muiterij” van deze procureurs – en deze aanduiding dient men letterlijk te nemen – en de bewindspersoon. Des te navranter omdat deze Sorgdrager een bliksemcarrière had kunnen maken binnen dat Openbaar Ministerie en daar ook geëindigd was als Procureur-generaal Arnhem. Met een landelijke veelomvattende portefeuille. Zie je wel: ook een vrouw kan hóóg worden in Nederland. Zelfs deze vrouw. Een muiterij, begonnen door Dato Steenhuis. In 1992 werd Dato Steenhuis procureur-generaal van het Openbaar Ministerie in het ressort Leeuwarden, dat Groningen, Friesland en Drenthe beslaat. In 1997 was er dus die opschudding ontstaan over de vervolging van een politieman uit SchiermonnikoogRené Lancee, die ten onrechte was beschuldigd van seksueel misbruik jegens zijn bloedeigen dochter. Er was een inspectrice die wel eens een incestzaak wilde toevoegen aan haar palmares. Die had die dochter flink onder druk gezet.  Om haar vader van die bloedschande te beschuldigen. Daarop had de dochter later willen terugkomen. Meerdere malen.  Maar toen was er al een gespecialiseerde Officier van Justitie ingeschakeld. Toen hadden de superieuren van die inspectrice geoordeeld, dat ze niet meer terugronden: er was al een tenlastelegging en daarop was tot vervolging besloten. Door die zaak waren de verhoudingen in de driehoek in de Groningse politieregio verstoord geraakt. Het private adviesbureau Bakkenist Management Consultants kreeg opdracht onderzoek te doen naar die verstoorde verhoudingen. En daarop was er weer gelekt.  Het is, achteraf, onbegrijpelijk dat men niet aanstonds inzag dat deze kwestie die alles te maken had met de interne ethische integriteit van het justitie-apparaat niet had mogen worden uitbesteed. Op dat moment was de ressortale procureur-generaaal nog fungerend directeur van politie. Die was volgens het Napoleontisch bestel, dat nog steeds gold, de enige autoriteit die ging over integriteitsvraagstukken en niet een commercieel bureau dat ook aan wervingen deed.  Daarover was ook meteen intern geklaagd. Maar tevergeefs. In 1997 was er vervolgens opschudding ontstaan over de aangekondigde strafvorderlijke dus openbare vervolging van “een politieman uit Schiermonnikoog”. Maar zonder personalia. Maar deze personalia waren vervolgens niet meer van de beeldbuis te branden. Het ging om een zekere René Lancee, die wellicht ten onrechte was beschuldigd van seksueel misbruik. Je begrijpt echt niet dat Den Haag niet onmiddellijk ingreep. Want dat Bakkenist daar niets mee van doen mocht hebben moet toch meteen zonneklaar zijn geweest en ook dat Steenhuis heel wat had uit te leggen. Door deze verwikkelingen in die zaak waren de verhoudingen in de driehoek in de Groningse politieregio verstoord geraakt. Het gewraakte adviesbureau Bakkenist Management Consultants kreeg niettemin toch opdracht onderzoek te doen naar die verstoorde verhoudingen. Op 14 januari 1998 werd vervolgens ook nog bekend dat Dato Steenhuis een bijbaan als adviseur bij Bakkenist had. Daarop werd hij natuurlijk meteen beticht van belangenverstrengeling. Immers, door Steenhuis’ relatie met Bakkenist had hij wellicht invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van dit rapport. De Tweede Kamer riep Minister van Justitie Sorgdrager ter verantwoording. Het ging er heet toe.

Het onderzoek naar het handelen van Steenhuis

Minister Sorgdrager noemde het een “ernstige” kwestie en verweet Steenhuis dat hij het ministerie niet vooraf over zijn nevenfunctie had geïnformeerd. Steenhuis zei dat hij wellicht wat fouten had gemaakt in de wijze waarop hij met zijn adviseurschap bij Bakkenist is omgegaan, maar dat er van werkelijke belangenverstrengeling absoluut geen sprake was. De voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, Docters van Leeuwen, nam het hierin voor hem op. Het departement probeerde eerst de zaak op de beproefde wijze te sussen, door twee hooggeplaatste ambtenaren te offeren op de altaarsteen gewijd aan de Heilige Integriteit van ambtenaren: die kregen de schuld ervan dat de Minister niet wist dat Dato Steenhuis die bijbaan bij Bakkenist had. Deze ambtenaren wisten het, hadden het moeten melden en hadden dat niet gedaan, was het parool. Ze zouden andere functies krijgen door strafoverplaatsingen. Juist was het niet, te beweren dat ze dat niet gemeld hadden. Dat hadden ze wel degelijk gedaan, maar de teksten waarin dat vervat was niet opvallend met de gele viltstift gemarkeerd. Dat scheen destijds in dat directoraat-generaal gebruikelijk bij politiek gevoelige passages. Een uiterst verdienstelijk ambtenaar, André Rook, Directeur Strafrechtelijke Handhaving werd nu ineens Voorzitter van de Gehandicaptenraad. En dat vond Rook niet leuk. Ook niet omdat hem de vernederende publiciteit bepaald niet gespaard werd, zulks om Sorgdrager volledig uit de wind te houden. Maar Rook had gedacht dat de Minister die passus eigener beweging wel zou markeren, want het stond er toch allemaal wel degelijk. De Minister echter dacht dat het macho-departement haar opzettelijk dwars had gelegen en daarom was dit bloedoffer gebracht. Er waren, dat moet erkend, nogal veel macho’s in de departementale managersrangen, maar Rook hoorde daar zeker niet onder. Dat erkende iedereen, maar ook dat Rook zich wel zou laten slachtofferen. Het bleek onvoldoende om rust in de tent te borgen. De mensen uit het veld bleven morren: als Rook zo behandeld kon worden, dan zou dat hun lot ook wel eens kunnen worden. Het was geen werk. Wrok alom. Dat verbindt niet. Al dacht Borghouts daar misschien anders over en zijn paladijnen ook.

Oud-kamervoorzitter Dolman, lid van de Raad van State werd gevraagd om de handelwijze van Steenhuis nader te onderzoeken. Zijn rapport was op 22 januari 1998 klaar. Hij vond geen harde bewijzen voor belangenverstrengeling, maar concludeerde wel dat “de schijn ervan is gewekt”. Op diezelfde donderdag werden Steenhuis en Docters van Leeuwen aan het begin van de avond ontvangen op het departement om het rapport-Dolman in ontvangst te nemen. Sorgdrager wilde het rapport nog dezelfde dag aan de Tweede Kamer toesturen. Steenhuis kreeg een uur om het rapport te lezen en erop te reageren. Steenhuis vond dat hij recht had op een behoorlijk weerwoord en dreigde met een kort geding tegen de Minister als hij niet meer tijd kreeg, voordat het rapport naar de Kamer zou gaan. Later die avond kwamen ook de andere procureurs-generaal, Hans Blok en René Ficq, naar het departement. Aan het einde van de avond sprak Minister Sorgdrager sussende woorden tegen de samengestroomde pers en ze vroeg ook de procureurs-generaal om de opschudding te kalmeren.

Naderhand verweet de Minister Arthur Docters van Leeuwen dat hij zich te veel had opgesteld als “belangenbehartiger van de heer Steenhuis tegenover de minister”. Voorts verweet zij Docters van Leeuwen dat hij niet had voorkomen dat het hele College van procureurs-generaal erbij betrokken werd, zodat voor de media het beeld van een soort “muiterij” van de procureurs-generaal kon ontstaan. Volgens haar had hij meer kunnen en moeten doen om dat beeld van een acute gezagscrisis publiekelijk te corrigeren. Docters van Leeuwen zelf vond de verwijten onterecht en meende dat hij zijn best had gedaan om de zaak op te lossen met het voorstel dat Dato Steenhuis zijn post in Leeuwarden zou worden afgenomen en dat hij Procureur-generaal voor het ressort Arnhem zou worden. De avond erna, op 23 januari, gaf minister-president Wim Kok commentaar op het conflict, waarbij hij de opstelling van de procureurs-generaal “kinderachtig” noemde.

Afloop

Tussen de minister en de voorzitter van het College van procureurs-generaal was aldus, ook omdat het College en bloc volhardde door Steenhuis niet te desavoueren, een onoverkomelijke vertrouwenscrisis ontstaan, die er toe leidde dat Docters van Leeuwen op 17 februari 1998, ongeveer een maand later, werd ontslagen. In 1999 werd hij uiteindelijk toch weer benoemd tot bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Dat bevreemdde. Omdat Docters steeds was gepresenteerd als hoofdmuiter door de Afdeling Voorlichting van het Departement. Moet je een hoofdmuiter een baan geven met dienstauto en chauffeur, dat was een algemene vraag. De procureur-generaal Dato Steenhuis kreeg een berisping. Hij werd op 18 februari 1998 overgeplaatst van het ressort Leeuwarden naar het ressort Arnhem en moest de portefeuille automatisering afstoten. Ook moest hij zijn bijbaan bij Bakkenist opgeven. Hij is tot zijn pensioen in 2006 procureur-generaal gebleven. Op 19 februari kreeg Minister Sorgdrager steun van de Tweede Kamer voor de door haar gevolgde lijn. In 2007 zou Docters van Leeuwen echter tijdens een interview verklaren dat Sorgdrager later, bij een ontmoeting met hem, erkende dat ze verkeerd had gehandeld door hem te ontslaan. Op 14 januari 1998 werd officieel ambtelijk vastgesteld – in Rooks notitie was alleen gerept van een ruchtbaar feit – dat Dato Steenhuis die bijbaan als procureur-generaal had. Maar Steenhuis kon op die manier de eindredactie bijstellen. En waarschijnlijk dééd hij dat ook.