Episcopale tegenzin tegen een roomse academie

Daar is het, oordeelt de Utrechter gemijterde, nog lang de tijd niet voor, zo deze ooit al aanbreekt, want schandalen heeft deze gezagsdrager dan al genoegzaam mogen ervaren op dat terrein. Hij tracht dus de aandriften van katholieke ondernemers uit de maakindustrie af te remmen en te dempen wat de oprichting van een academische handelshogeschool, maar moet zwichten als juist Tilburgse welgestelden in de twintiger jaren tot geldelijke ondersteuning van zulk een initiatief gul bereid zijn. Hollander is Van de Wetering genoeg om die centen dan maar met dat doel te aanvaarden en aan te besteden, al doet hij overduidelijk merken dat hij deze streving nogal hoog gegrepen vindt en al blijft hij alert om ieder moment de hele zaak alsnog op de merites te bezien, waartoe de landelijke déconfiture van de Roomsche Hanzebanken grotelijks bijdraagt vooral omdat nu de calvinistische Colijn als minster van Financiën moet bijspringen om een nationale kredietcrisis te smoren. Hetgeen de kranten van de andersdenkenden bepaald niet ontgaat want de belastingbetaler is er weer eens goed voor. Op 8 oktober 1927 draagt aartsbisschop Van de Wetering uiteindelijk een mis op in de Heuvelse kerk in Tilburg. De bisschoppen van Breda en Den Bosch, vijf priesters en tien misdienaren flankeren hem. Na afloop zijn er maar liefst twaalf speeches van hoogwaardigheidsbekleders in de sociëteit van de Nieuwe Koninklijke Harmonie. Dat alles ter ere van de oprichting van de R.K.-Handelshogeschool, die dat jaar van start is gegaan met vijftien studenten. Dat bescheiden aantal weerhoudt het bestuur er niet van fors de publiciteit op te zoeken met grote verhalen over wat Roomsch Nederland allemaal vermag. De hogeschool is zo niet zonder ructbaarheid met megalomane trekken tot stand gekomen. Dat de R.K.-Handelshogeschool zou uitgroeien tot Tilburg University met in 2020 meer dan 18.000 studenten is iets wat het toenmalig bestuur uiteraard niet kon voorzien. En of het dat maar zeker had gewenst blijft een open vraag, ook omdat ontsporingen de instelling niet vreemd zouden blijven. De oprichters van de hogeschool was er nu eenmaal alles aan gelegen om ervoor te zorgen dat ook Brabant hoger onderwijs zou krijgen op katholieke grondslag. Ze vonden dat voor Brabant gerechtvaardigd en passend bij de opleving die de hele provincie begin twintigste eeuw doormaakte.

Dat die provinciale emancipatiedrang niet altijd goed samenging met de landelijke katholieke emancipatie laat de ontstaansgeschiedenis van de handelshogeschool maar al te goed zien. Aan het eind van de negentiende eeuw is Brabant een arme streek met veel kleine landbouw en weinig economische groei. Het heeft de reputatie van armoede en achterlijkheid. De kleine sociale bovenlaag, waartoe ook katholieke geestelijken behoren, wil Brabant naar een hoger plan tillen. De verandering begint op het platteland. Om zoveel mogelijk boeren en dagloners uit de armoede te halen worden o.a. de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond en de Boerenleenbank opgericht. Maar ook daarbij gaat erg veel mis, vooral omdat de stuwende kracht Pater Gelachus van den Elzen, lid van de Norbertijner-Orde te Heeswijk-Dinter politieke stellingnamens niet schuwt, waartegen het episcopaat ook weer weing vermag, ook in het interbellum. De witte pater immers genoet als kloosterling immuniteit van de bisschoppelijke jurisdictie in het diocese en ontpopt zich als een man die veel ziet in een bepaald fascistoïde corporatisme bij de economische heroedening die Nederland behoeven zou. En hij is niet de enige, tegen wie Deftige Nol niet flink optreedt zoals het epsicopaat zou willen.  Door samenwerking in coöperaties en het gebruik van kunstmest en machines in de landbouw gaat in ieder geval de productie omhoog en is er minder agrarisch handwerk nodig. De groep landarbeiders, die ook nog eens snel stijgt door een bevolkingsexplosie, kan aan de slag in de steden. Daar komt een industrialisatie op gang die wordt versterkt door een verbetering van de infrastructuur. Wegen, kanalen, bruggen en spoorlijnen maken mede mogelijk dat er grote industrieën ontstaan rondom metaal, voeding, tabak, textiel en leer. Het opheffen uit armoede is nog niet genoeg.

Ook de reputatie van achterlijkheid van de Brabanders wordt aangepakt via specialistisch nijverheidsonderwijs. De Rooms-Katholieke kerk speelt hier een grote rol in. Voor de alleenzaligmakende kerk is  dat standaardonderwijs de uitgelezen kans om de Brabanders te verheffen én goede katholieken van hen te maken. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat het gegeven flankerend lager onderwijs helemaal weldoordacht katholiek is. Vanaf eind negentiende eeuw worden honderden katholieke scholen voor lager onderwijs opgericht. Die worden door de kerk zelf gefinancierd, want pas in 1917 besluit de overheid onderwijs op religieuze grondslag te financieren. De leerkrachten aan al die scholen worden opgeleid aan katholieke kweekscholen waar de lesstof is doordesemd van katholieke normen en deugden. Het godsdienstonderricht is wel verzekerd op uiterst scholastieke wijze. Dat katholieke middelbaar onderwijs in Brabant bestaat vóór de twintigste eeuw uit een klein aantal scholen dat vaak verbonden is aan kloosters en priesteropleidingen en waar les wordt gegeven door geestelijken. Deze scholen krijgen vanaf 1916 gezelschap van katholieke seculiere scholen met lekenonderwijzers, waarvan de eerste in Waalwijk en Bergen op Zoom worden opgericht. Deze scholen vallen onder de stichting Ons Middelbaar Onderwijs, OMO,  waarbij “Ons” verwijs naar het ‘eigen’ katholieke en Brabantse, in tegenstelling tot het ‘andere’ openbare onderwijs vanuit de rijksoverheid. En OMO wast witter dan andere middelen, wanneer men het toepast op het doopsformuler “Accipe vestemd candidam“, ontvang het witte kleed, dat de priester bezigt nadat de doop is verricht met gutsen wijwater, waardoor het onmondige wicht steeds amechtig tot krijsen vervalt.