Erasmus illegitimus

Erasmus was de zoon van een priester uit de rooms-katholieke kerk. Een priester was, óók voor het Concilie van Trente, dat startte in 1543, gehouden niet te trouwen. Hij moest celibatair blijven, al was dat vóór dat Concilie nog geen publiekrechtelijke wettelijke verplichting. De kerk had er haar redenen voor, voor die celibaatsverplichting. Op de eerste plaats was een priester onbeperkt en onbepaald overplaatsbaar door zijn hogere gezag. Dat was meestal de residerend bisschop van de kerkprovincie waar de priester aangesteld was. De priester gold als een sacramenteel ambtenaar.

Het standbeeld van Erasmus op het Rotterdamse Grotekerkplein

Hij moest gaan, waar zijn aanstelling noodzakelijk was. Reizen was in de vijftiende eeuw, in de tweede helft waarvan Erasmus geboren is, hachelijk, omslachtig, kostbaar en tijdrovend, terwijl de kerkprovincies buitengemeen groot waren. Zo omvatte het bisdom “Het Sticht” boven de Grote Rivieren van het Lage Land, het Neder-Land, alle gewesten boven de Maas en Rijn noordwaarts, tot ver in wat wij nu Duitsland noemen. Alleen de priester die een pastoorsaanstelling kreeg, was zeker van zijn geografische standplaats. Maar de rest was Ad nutum episcopi. Tot willekeurige beschikking van de bisschop van Utrecht. Rectoren van kapellen, kloosters, kluizen en hospitaals werden ook daadwerkelijk vaak overgeplaatst. Kapelaans, scholasters van de Latijnse kapittelscholen, geestelijke adviseurs van hofjes en proveniershuizen eveneens.

Het was alleen aan kloosterlingen voorbehouden om op één plaats te verblijven: zij genoten het privilege van stabilitas loci. Het voorrecht om te verblijven binnen het klooster waar ze voor eeuwig ingetreden waren – een recht dat Erasmus altijd als buitengewoon beklemmend heeft ervaren. De priester had in deze tijd meestal een huishoudster of een meid te zijner beschikking. Daar had hij doorgaans sexuele omgang mee, al mocht het niet en al was dat zondig. Zwaar werd er niet aan getild, maar de kinderen waren illegitiem. Onwettig: ze golden niet als rechtssubject en waren voor hun leven rechtsonbevoegd en handelingsonbekwaam, evenals de volwassen vrouw. Ze konden niet erven.

Ze konden wel jegens hun vader morele onderhoudsplichten inroepen, maar rechtens iets afdwingen was er niet bij. Plaatste de bisschop of abt over, dan had de priester te gaan. Met verlating van het gezin. Het was niet de bedoeling dat de priester zijn  kroost liet barsten. Maar de kerk bood geen voorzieningen als hij dat wel deed. Zeker wilde de kerk niet, dat de priester zijn kinderen deed erven. Ze verbood dat soort makingen. Het erfgoed moest aan de kerk vervallen. Daarom werd de kerk zo rijk.  De bastaard was dus een derderangs wezen, juridisch bekeken. De middeleeuwse samenleving was hard. De vader van Erasmus wordt Gerard geheten. Erasmus geeft het zelf op. Veel woorden maakt hij aan zijn verwekker niet vuil. Het is duidelijk dat Erasmus zijn verwekker weinig achting toedroeg. Erasmus probeert zijn geboorte te Rotterdam te situeren in 1466: zodat de bevruchting moet hebben plaats gehad op een tijdstip dat de vader nog geen gewijd priester was.


Dat heeft Erasmus niet gedaan om de faam van de verwekker te sparen. Maar opdat Erasmus later in rechte zou kunnen procederen wegens wanprestaties bij contractbreuken, misdrijven tegen hem begaan, en erflaterse vermakingen te zijnen gunste die hij niet geldend kon maken als hij inderdaad onwettig naar geboorte was. Want zonder rechtsgedingen is Erasmus leven beslist niet geweest. Hij heeft zelfs internationale gedingen moeten voeren wegens schending van zijn auteursrechten. Hij was steeds erop uit om zulks te vermijden. Hij kon slecht tegen de spanningen van dien, haatte publieke ruchtbaarheid deswege, maar ja, hij moest zijn weg naar het einde afwandelen in een bijzonder stormachtige tijd. Een tijd waarin de maatschappelijke orde waaraan hij gewoon was langzamerhand finaal scheen in te storten. Hij heeft getracht dat te ignoreren. Maar lukken deed het niet.