Het beginsel dat niet uitgeleverd wordt voor fiscale feiten in Van Laarhoven V

Het fiscale feit geeft geen aanleiding tot interstatelijke rechtshulp. Voor belastbare feiten geeft Nederland op uitdrukkelijke verdragsgrondslag  wel interstatelijke rechtshulp, maar staat  geen commune uitlevering toe. Dat is het Nederlandse fiscale beletsel . In 2015 wilde het Openbaar Ministerie de coffeeshophouder Van Laarhoven vervolgen voor vooortgezette belastingontduiking en stuurde daarom een rechtshulpverzoek aan Thailand. De Thaise justitie reageerde niet direct op dit verzoek. Allicht niet: dit zijn zuiver fiscale feiten. En voor fiscale feiten geeft Nederland zoals gezegd in beginsel nooit strafrechtelijke interstatelijke rechtshulp, hoe dan ook tenzij een rechtshulpverdrag dat toestaat. Het OM stuurde vervolgens een brief waarin Thailand in overweging wordt gegeven om zelf een strafrechtelijk onderzoek te starten. Openbaar Ministerie en justitie waren daarmee onzorgvuldig in deze zaak van de coffeeshophouder Van Laarhoven Onzorgvuldig, vindt ombudsman Reinier van Zutphen. “De instanties hebben verzuimd om af te wegen of de gekozen middelen in evenredige verhouding stonden tot het beoogde doel.” De Ombudsman wijdt daaraan verder niet veel aandacht, want het is zijn jurisdictionele competentie niet. In dit deskundigenrelaas dat deze Blog beoogt te geven op volkerenrechtelijke basis ligt dat anders: het gaat er in dit deskundigenbericht om wat er rechtshulptechnisch defect was aan de wijze waarop Thailand territoriale jurisdictie kon krijgen over van Laarhoven en diens Thaise eega.

Terwijl in dit voorliggend rapport centraal staat wat er generiek juridisch fout was aan de aanleveringswijze van de opgeëiste persoon Van Laarhoven door Nederland ging het de Ombudsman er om wat er specifiek mis was met deze wijze van verkrijging waardoor de verdachte en vervolgde gekrenkt werd in zijn grondrecht om rechtsingang te krijgen bij de nationale Nederlandse rechter. Zulks onmiddellijk nadat enige redelijke verdenking tegen hem was ontstaan bij het Nederlandse Openbaar Ministerie. De Officier Van Delft ontkent niet dat hij opzettelijk talmde met het openleggen van alle bezwaren tegen Van Laarhoven, omdat hij redenen had te duchten dat iedere rechtshulp door Thailand zou worden geweigerd wegens het commune fiscale beletsel van belastingontduiking, belastingontwijking en valsheden in koophandelsbescheiden die zulks moesten verheimelijken. Hij wilde eerst cliënt Van Laarhoven verwijderd hebben naar Thailand in verband met witwassen, dan afwachten hoezeer deze zwaar gestraft zou worden door een inhumanitair gevengenistraject en,  daardoor murw gebeukt,  zou smeken om executieoverdracht naar Nederland.  En vervolgens  zou dat Openbaar Ministeriehet hele staal van tenlasteleggingen ter Nederlandse zitting openbaren, wetende dat Van Laarhoven daaraan uiteindelijk zou medewerken. Omdat teruglevering aan Thailand geen optie zou kunnen zijn.

Dát maakt de feitelijke aanlevering aan Thailand van de vervolgde verdachte van Laarhoven tot verkapte uitlevering, disguised extradition, extradition déguisée, livraison concertée. Ook al noemde Van Delft deze gang van zaken een “vorm van rechtshulp” zonder daadwerkelijke uitlevering in technische zin zoals de Uitleveringswet deze definieert en procedureel regelt.  Van Delft was bekend met het feit dat Thailand géén reguliere rechtshulpbetrekking met Nederland had in verdragsvorm. Den Haag had ook regelmatig laten weten dat het dat niet wilde. Omdat Thailand geen rechtsstaat was. En om Van Laarhoven met dwang naar Thailand te krijgen was nu eenmaal een verdragsband noodzakelijk.  Het Openbaar Ministerie spande daarom met het Thaise Openbaar Mininisterie samen. Om feitelijk toch Van Laarhoven tegen zijn wil in de Thaise gevangenis te krijgen. Zoiets heeft dat Nederlandse Openbaar Ministerie wel vaker gedaan. Ook bij de bestrijding van sextoerisme naar Thailand en naar de Philippijnen. Het gunt de deelnemers daaraan niet het negatieve jurisdictieconflicht die bij verdragsloos verkeer zou kunnen onstaan. Maar deze verkapte rechtshulp om de principes van het interstatelijk rechtshulpverkeer te ontgaan mág niet. Het is onrechtmatig. Het oogmerk is immers om het voorgeschreven, van rechtsbescherming omgeven, verdragsverkeer te ontgaan. Ook bij de Philippijnen gebeurt het in schrijnende gevallen, waarbij een Nederlander totaal los is gegaan in Manila op minderjarigen. Het blijft wederrechtelijk. Jegens de verdachte. Die men die waarborgen niet gunt.  Een onrechtmatige overheidsdaad waardoor de vervolgde recht heeft op behoorlijke schadeloosstelling.  Ook in casu. Want op basis van het territorialiteitsbeginsel ex artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht had verdachte van Laarhoven recht op rechtsingang voor alle feiten bij de Nederlandse territoriale rechter. Dat is niet gebeurd. En daardoor heeft het Openbaar Ministerie hem gekrenkt in het recht op rechtsingang bij de nationale rechter die de formele Nederlandse wet hem toekent. Het bekende reeds genoemde privilegium de ius non evocando.

Het jus de non evocando (Latijn voor “het recht om niet afgehouden (letterlijk: weggeroepen) te worden”) is, ik besprak het al,  een algemeen en mondiaal erkend  rechtsbeginsel dat iemand niet mag worden afgehouden van de rechter die normaal gesproken de jurisdictie heeft. Daarbij kan zowel de absolute als de relatieve competentie van de rechtsautoriteit aan de orde zijn. Het jus de non evocando vindt zijn weerslag in artikel 2 en 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten alsmede in artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het staat ook in artikel 17 van de Grondwet. Berechting door internationale gerechtshoven zoals het Rwanda-tribunaal of het Joegoslavië-tribunaal wordt soms bestreden met een beroep op het principe van jus de non evocando. Dit standpunt werd door de kamer voor hoger beroep van het Joegoslavië-tribunaal verworpen. Door Van Laarhoven als coffeeshopuitbater in Nederland aan te geven – middels een soort van verzoek tot overdracht van de strafvordering door Thailand – bij de Thaise justitie — krenkte het Openbaar Ministerie flagrant dat privilege. Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Dat staat er letterlijk in dat meermalen hernummerde artikel 17 Grondwet. En dat was in  ieder geval de basiscompetente rechter in Nederland, zodra duidelijk werd dat het Openbaar Ministerie aanstuurde op Thaise detentie. Zie hierboven. Nederland immers werkte tot deze detentie oorzakelijk mede. Neem in aanmerking wat hierboven gesteld is over het onbeperkt personaliteitsbeginsel bij het bepalen van de ten deze toepasselijke rechtsmachtkring.