Joachim Stiller

Destijds zat ik nog bij de Haagse Loge “Driehoek” die inderdaad van de aan de vrijmetselarij verbonden ritualistiek betreffende Zomer Sint-Jan heel veel werk placht te maken. We gingen dan met de ganse Loge buitenwaarts om een ceremonie in de open buitenlucht te houden, een buitenloge dus, waarbij eerst de tempelruimte nauwkeurig werd afgemeten door de officieren die haar afliepen in de Romeinse passen. En van het alsdan te voltrekken rituaal kan men zeggen dat een pontificale hoogmis in de Sint-Pieter te Rome er een betrekkelijk simpele plechtigheid bij was was. De volledige kathechismus moest worden opgezegd zonder haperen. En die moest men dus uit het hoofd kennen. De Achtbare Voorzitter wees de leden, die op zijn vragen moesten antwoorden, lukraak aan, opdat niemand zich gevrijwaard kon weten van deze plichten en wie niet vlekkeloos kon antwoorden werd nadien ook nog eens flink berispt. Zonder dollen. We droegen ook nog eens onze plechtgewaden waaronder uiteraard het schootsvel of het schort dat zo karakteristiek is voor deze ideologische liturgie die mede de Bijbel hanteert als inspiratiebron en oorzaak van broederlijke verbondenheid. We stonden, want we opereerden al heel vroeg, tot ongeveer onze heupen in de ochtendnevel met die ook wat opmerkelijke dracht en natuurlijk kwam er dan toch op de openbare weg op zichtafstand een toevallige matineuze fietser voorbij die raar opkeek van de prevelende schimmen in dat weiland die bezig waren het hunne te verrichten ten behoeve van de Zuivere Kubiek. Vermoedelijk begrijpt u hier niets van. En ik destijds eigenlijk ook niet echt. Maar dat was ook wel de bedoeling, scheen het. We waren uitverkoren, zo scheen het, en dat voelde goed, geloof ik. En Sint Jan was het er in ieder geval mee eens. Ik moest dan altijd denken aan de magisch-realistische roman “De Komst van Joachim Stiller”van Hubert Lampo. Omdat daarin óók de Apocalyps een belangrijke rol speelt en de onbegrijpelijkheid van Gods Heilsplan. Ik verslond het als puber. En zwolg toch wel in de romantische ontremmingen tussen de hoofdpersoon Freek Groenevelt en Simone Marijnissen in haar “wonder van een gebloemde jurk met schoentjes op zulk hoge hakken dat ongelofelijk was dat zij er haar evenwicht op kon bewaren.”

Dat soort werk bleef nabruisen in een zeer ontvankelijk jongensgemoed dat nog weinig zintuigelijk bezwarend had hoeven te doorstaan. Het verhaal is eigenlijk raadselachtig en eenvoudig tegelijkertijd. Freek Groenevelt, een succesvol schrijver-journalist uit Antwerpen, vertelt hoe zijn rustige, geordende leven in toenemende mate door onverklaarbare verschijnselen wordt verstoord: een straat wordt opgebroken en weer dicht gemaakt, maar de wethouder van Openbare Werken ontkent het krantenbericht van Freek. Dan komt een brief uit 1919 met de post die het voorval toen al voorspelde. Freek gaat op bezoek bij de redactrice Simone Marijnissen van het literaire tijdschrift Atomium, die een brief van Stiller kreeg waarachter men de schrijver Freek Groenevelt vermoedde. Stiller belt Simone later dat ze contact moet houden met Freek, die op het gemeentearchief navraag doet naar een zestiende-eeuwse auteur Joachim Stiller, schrijver van een boek over het einde der tijden. De mysterieuze Joachim Stiller wordt een obsessie voor Groenevelt. Uiteindelijk kan de journalist een verband leggen met een traumatiserende ervaring uit de Tweede Wereldoorlog. Een bevriende psychiater roept met hulp van een pentothal-injectie onder hypnose de herinnering terug aan een Amerikaans soldaat met die naam. Hij zag de soldaat sterven na de inslag van een V2 op een tram in Antwerpen, die hij zelf net gemist had. Zelfs dat geeft geen verklaring voor alle vreemde gebeurtenissen. Aan het eind van het boek schrijft Joachim Stiller in een brief dat hij naar het Station Antwerpen-Zuid komt voor een ontmoeting. Daar wordt hij op een paar meter van de verteller door een legervrachtauto bruut overreden. Dit gebeurt nadat de dode zijn naam had genoemd maar voordat ze in gesprek konden komen. Dit blijft het enige contact met Stiller, want diens lichaam verdwijnt op de derde dag mysterieus uit het gemeentelijke lijkenhuis. Dankzij de gebeurtenissen leerde de journalist wel Simone kennen, de vrouw van zijn leven. Het boek eindigt met Groenevelt als gelukkige aanstaande vader. Ikzelf had op het barre slagveld van romantiek en erotiek nog weinig meegemaakt, dus die verrichtingen die Groenevelt deed ter versnelling van het heilspan via Simone, die spraken mij wel erg aan. Hoge hakken, echte liefde en God had ook nog zo bedoeld. Daar had mijn moeder ook nog van opgekeken. En die wist toch bijna alles. Dat sidderde louterend door mijn zitelement, terwijl wij deze veldloge voltrokken in de ochtendnevelen die helaas spoedig zouden optrekken. En voor mij had mijn eerste verkeringsperiode met een Strijps meisje ook wel duchtig een einde gemaakt aan deze verwachtingsvolle perspectieven die tegen de hardheden van de alledaagse praxis uiteraard geen stond konden blijven houden. Maar het kost mij nu nog enige moeite om ze tijdelijk te revitaliseren. Een mens wordt niet snel wijzer. Dat staat wel vast. En dat is ook de reden dat de tussenkomst van het Lam nadat het Zevende Zegel is verbroken weinig méér helpt dan een pleister op een houten been. Ook dat is Groenevelt niet ontgaan.