Wet Universitaire Bestuurshervorming

Destijds, in 1977 was men overal in den lande bezig de studenten medebeslissingsrecht te geven in de opbouw van het wetenschappelijk academisch onderwijs, de organisatie daarvan en de verschaffing van de verschillende gecertificeerde graden. Dat geschiedde krachtens de onvoldragen Wet op de Universitaire Bestuurshervorming die met dit oogmerk aan de faculteitsraden verregaande bevoegdheden gaf in de wijzen waarop dit onderwijs en het daarbij betrokken onderzoek ingericht moest worden. En natuurlijk liep daarbij Tilburg in de eerste echelons, want daar was de revolte van 1968 tenslotte begonnen en doorgeduwd tot op de hoogste politieke niveau’s via de bezetting van de Karl Marx Universiteit in dat jaar. Er werd vanuit gegaan dat de faculteitsraad daarbij verstrekkende competenties zou moeten hebben in de naam van de democratie en het daaraan ten grondslag liggend gelijkheidsbeginsel. Dat laatste werd door de Tilburgse juristen, onder referte aan het Romeinsrechtelijke “suum cuique“, zo begrepen dat het “ieder het zijne” werd verbasterd tot een daas gelijkmakend allen “hetzelfde”. Het strafrecht moest in alle geledingen uiting geven aan dat streven, waarbij op de voorhand vast stond dat de verdachte maatschappelijk ontoelaatbaar werd gediscrimineerd omdat vervolging alleen al wees op een oogmerk om de verdachte sociaal te stigmatiseren als schuldig aan een disfunctie in de organisatie van de standenmaatschappij die de mensheid aan zichzelf voltrokken had. Het ergste wat een positief rechtssysteem aan de menselijkheid kon berokkenen was: maatschappijbevestiging. En ik moet toegeven dat ik ook in mijn colleges er ronduit voor uit kwam dat het strafrecht juist in elkaar geknutseld was om die bevestiging via negatieve sancties bijzondere kracht bij te zetten, waarbij ik hardnekkig ook ruim baan maakte voor de kerkvader van Aquino, die daarover op hoogscholastieke wijze enige passus had besteed in zijn Summa Theologica. Ook Thomas placht de mensen te onderscheiden naar aanleg, intelligentie, uitnutting daarvan, scheppend vermogen en bereidheid tot voorgezette zelfdisciplinering en zelfdistantie. Dat kwam in het stellig strafrecht mede tot uiting. Onder meer in het al veel malen in deze Blogs besproken schuldbeginsel.

Dat alles, zo vond men in de Tilburgse faculteitsraad van 1977 op de juridische faculteit, was ondemocratisch en leidde tot inbreuken op de intermenselijke gelijkheid. Iedereen was mens en iedereen dus op dezelfde wijze waardevol. Straffen was daarom ook contrafactisch, een woord dat destijds ook door de gangen van de hoogbouw zinderde. De universitaire bestuurshervorming was daartoe instrumenteel en iedereen die daar tegen in ging een fascist. Overzichtelijk was het wel. Het is thans een standpunt dat nog steeds geducht meetelt, maar men articuleert het thans wat anders. De Wet Universitaire Bestuursvorming is reeds lang ter ziele, maar niet om dit gelijkheidsdenken uit het universitaire klimaat te bannen. Wel integendeel. De transitie van de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) naar het huidige stelsel heeft de aard en de bevoegdheden van de faculteitsraden zo op het oog fundamenteel veranderd. Waar universiteits- en faculteitsraden in de jaren 70 en 80 nog een actieve, bestuurlijke rol hadden, is hun functie tegenwoordig gedefinieerd als medezeggenschap. Maar wat dat dan precies is, is aan de fantasie van de gebruiker van deze raden geheel overgelaten. Van de WUB is men naar de MUB geëvolueerd, maar of dat vooruitgang is, waag ik te betwijfelen, al vergaderde men onder de WUB zich ook het lazarus. Zo bleek dat wettelijk hervormingssysteem door het progressieve wetenschappelijk personeel dat zichzelf bleek te mogen bevorderen van schaal naar schaal eigenlijk uit te pakken. En als daarvoor de verschaffing van een doctorsgraad onontbeerlijk bleek, dan was dat slechts een collateraal verschijnsel. Men onderscheide de faseringen in dit boeiend evolutionair proces nauwkeurig, zoals Darwin dat ook deed bij zijn casusaliteitsredeneringen over de ontwikkelingsgang van de mensheid van mensaap naar aapmens. De WUB (1970) was nog de geruchtmakendste fase: Geïntroduceerd in een tijd van democratisering, gaf de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) (en latere varianten) brede bevoegdheden aan gekozen raden. Raden fungeerden in feite als meebesturende organen, waarbij studenten en medewerkers direct invloed hadden op het facultaire en universitaire beleid. Dit leidde in de praktijk vaak tot trage besluitvorming. En ook veel tegenstrijdigheden en gesjoemel in het wetenschappelijk programma. Zoals kennelijk de bedoeling van de wetgever was.

Maar met de Wet op de Modernisering van het Universitaire Bestuurswezen werd het er toch niet veel beter op. Dat was de essentie van  MUB (1997): Met de invoering van de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB) werd de WUB definitief vervangen. De bestuursstructuur werd verzakelijkt: het besturen werd overgedragen aan een professionele decaan en het College van Bestuur. De raden veranderden van meebesturende organen in medezeggenschapsorganen met controlerende en adviserende taken. Deze structuur is uiteindelijk opgegaan in de Huidige WHW, de Wet op het Hoger Wetenschappelijk Onderwijs die eigenlijk de bestaande bestuurspraktijk codificeerde omdat lens vergaderen loonde. De huidige Bevoegdheden van de Faculteitsraad (WHW) zijn dan ook toch nog steeds verstrekkend. Op grond van artikel 9.37 WHW oefent de faculteitsraad tegenover de decaan de medezeggenschapsrechten uit voor aangelegenheden die de faculteit in het bijzonder aangaan. Deze bevoegdheden zijn grofweg in drie categorieën te verdelen: het Instemmingsrecht (Artikel 9.38 WHW).  De decaan heeft voorafgaande instemming van de faculteitsraad nodig voor ingrijpende facultaire regelingen. Zonder deze instemming kan het beleid niet worden doorgevoerd. Dit geldt onder andere voor: het redigeren van het faculteitsreglement (waarin de organisatie en inrichting van de faculteit worden vastgelegd) en het delen van de Onderwijs- en Examenregelingen (OER), met name de onderdelen die de onderwijsvarianten en studentenvoorzieningen raken. Verder is er het Adviesrecht. De faculteitsraad heeft het recht om advies uit te brengen over besluiten die de organisatie en de continuïteit van de faculteit raken. De decaan moet dit advies serieus meewegen. Belangrijke onderwerpen hiervoor zijn: De facultaire begroting en de verdeling van de middelen. Plannen met betrekking tot de organisatie van de faculteit, zoals reorganisaties, fusies van instituten of de oprichting van nieuwe leerstoelen. Dan is er het Initiatiefrecht en Informatierecht (Artikel 9.38a WHW). Initiatiefrecht: De raad is bevoegd om ongevraagd voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken aan de decaan over alle facultaire aangelegenheden. De decaan is verplicht hier gemotiveerd op te reageren. Informatierecht: De decaan moet de raad tijdig en uit eigen beweging alle informatie verstrekken die de raad redelijkerwijs nodig heeft om zijn taken goed uit te kunnen voeren. Kortom: de faculteitsraad kan nog steeds beslissen of Trump president van de Verenigde Staten van Noord-Amerika mag blijven.  En dat kon hij in 1977 ook. Alleen was toen Trump Johnson. En die mocht van Tilburg niet blijven. Vandaar dat u niets meer van hem hoort.