Limburgse kwestie

Het was helemaal niet voor de handliggend dat Nederland in 1881 zou opteren voor het jurisdictioneel primaat van het territorialiteitsbeginsel, zoals geformuleerd in artikel 2 van het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht. Laat staan dat dat beginsel waarborgnormen zou kunnen oproepen ten behoeve van de verdachte, vervolgde of beschuldigde. De reden is dat het territoir van Nederland geruime tijd heel onzeker bleef nadat de Zuidelijke Nederlanden of België zich hadden afgescheiden van Noordelijk Nederland via de zogeheten Belgische Opstand van 1830. De wetgever wilde in 1870 echt wel zekerheid over de grondslagen van de ruimtelijke heerschappij van het materiële strafrecht. En dan moest je dus voorlopig niet bij het grondgebied wezen. Tussen 1831 en 1840 werd het territoir dat aan Nederland toegescheiden zou worden door de verdragspartijen die het Vereenigd Koninkrijk der Nederlanden hadden gedefinieerd bij het verdrag van Wenen van 1815 toch  steeds weer anders geografisch omschreven via toescheidingscorrecties. Die hadden dan betrekking op Zeeuws-Vlaanderen dat toch weer aan België zou komen, of Noord Brabant dat met Belgisch Brabant zou worden herenigd, of de Duitse exclaves zoals Gemert die ineens niet erkend werden of juist uitgebreid, een lot dat ook ten deel viel aan de enclaves Baarle-Nassau en Baarle-Hertog onder Tilburg. Vooral Pruisen deed ineens erg moeilijk. Omdat Bismarck onrust wilde zaaien in het Concert van Europa. Hij eiste ineens dat Limburgse jongens zouden horen bij het leger van de Noord-Duitse Bond en ineens liet hij die eis toch weer varen, om er later weer op terug te komen. Bismarck wilde een principieel onderscheid maken tussen bevolking enerzijds als aanknopingspunt van rechtsmacht en anderzijds het grondgebied. Wat Bismarck betreft was het eerste, de personaliteit, de voornaamste rechtsgrond voor rechtsmacht. En het territoir was alleen maar eis om de staatszelfstandigheid te verwezenlijken.
Een staat bestaat uit onderdanen, niet uit gebieden, al is gebied dat niet door anderen beheerst of bezeten wordt nodig voor soevereiniteit. Bismarck wilde dan ook voor de heerschappij van het Duitse recht het primaat van de personaliteit gaan invoeren in het nieuwe Wetboek van Strafrecht voor de Noord-Duitse Bond. Limburg hoorde oorspronkelijk als hertogdom tot dat Duitse Bondsrijk, zo redeneerde Bismarck en als Groot-Britttannië en Rusland ineens nu noordelijk Limburg wilden toescheiden aan het gemutileerde Koninkrijk der Nederlanden dat door de Belgische Afscheiding zoveel kleiner was geworden in oppervlakte, dan moest de Bond militair compensatie krijgen doordat de verdragen met de grensherzieningen en correcties waren gestoeld op de aanname dat de Bond de Limburgse mannen in militaire dienst kon oproepen onder opperbevelhebberschap van een nieuw staatshoofd. Dat zou vermoedelijk iemand worden uit de dynastie Hohenzollern dat zijn bakermat had in Brandenburg. Daar was Bismarck nog niet goed aan uit. Hij had de indruk dat die Hohenzollern wel goed te manipuleren waren, maar heel zeker was hij er nog niet van. Hij liet tijdelijk daarom de gedachte dat Limburgers aan Duitse zijde zouden moeten meevechten varen  omdat deze lieden zo onverschillig bleken. En nadat de band van Limburg met de in 1866 opgeheven Duitse Bond officieel werd verbroken door het Verdrag van Londen (11 mei 1867) liet hij het zitten, al trok hij de claim ook weer niet in. Het was voldoende als hij die burgerlijke onnozelaars in Den Haag zo nu en dan eens de stuipen op het lijf joeg met annexatoire eisen. Dat hing verder ook af van wat de reactie van Whitehall gunstig zou blijken op zulk een manoeuvre. Hoog spel speelde Bismarck daarom niet. Hij meende dat hij via de spoorwegen de Rotterdamse Rijnhaven in zijn zak zou hebben nadat de spoorbrug over de Moerdijk in 1871 voltooid was. Pas later kwam Thorbecke er achter dat aldus Den Haag en de hele Hollandse Randstad zondermeer open lag voor Pruisische pantsertreinen en reageerde stuipig. Bismarck liet ze wel bouwen, maar zette ze niet in. Dat zou Hitler pas gaan doen bij Mill in de dramatische en barre meidagen van 1940. Bismarck drong bij Den Haag niet meer aan.
Ineens waren de Limbo’s niet meer verplicht een Bondscontingent te leveren buiten den Haag om. Men moet zich voorstellen wat voor jurisdictieconflicten de constructie van Bismarck te weeg bracht ook strafrechtelijk gezien ten aanzien van vergrijpen als desertie, landverraad, hoogverraad, militaire insubordinatie en spionage voor de vijand in of buiten oorlogstijd.  Maar ineens liet Berlijn het toch weer zitten bij de geopolitieke onderhandelingen die steeds gaande werden gehouden. De rust in de regio keerde terug tot 1868. Er was geen sprake van een op zichzelf staande crisis in 1868. De merkwaardige opstelling van het liberale kabinet hing nauw samen met de nabije Luxemburgse kwestie en de naweeën van de staatkundige ontwarring tussen de drie betrokken partijen Nederland, België en Pruisen. Terwijl Engeland en Frankrijk op de achtergrond ook flink stookten. De eisen voor de delicten die ik net noemde scheelden per land enorm. En hoe zou dan de Limburgse uitgeloten jongeling zijn dienstplicht behoorlijk kunnen vervullen, wanneer men ook nog in aanmerking neemt, dat in veel gevallen de dienstplichtige een betaalde plaatsvervanger uit verweggistan liet opdraaien voor de werkelijke dienst?  Dat stond de wet destijds toe. Men kwam op voor zijn nummer, dat de uitkomst was van een soort tombola. En de uitgelotene kon een plaatsvervanger zenden. Die uiteraard voor deze dienst betaald werd. En verder weinig voor de militaire dienst voelde. Zeker niet die voor Nederland. De plaatsvervanger was doorgaans een armzalige slokker uit Savoye of Zwitserland.  De situatie werd onontwarbaar toen een oorlog dreigde tussen Frankrijk en de Duitse Bond na 1868. Frankrijk meende Pruisen makkelijk te kunnen verslaan en het leek erop dat de andere staten binnen de Bond Pruisen niet zouden bijstaan.
De voorgeschiedenis van de bepaling van de heerschappij van de Nederlandse wet  en de acute militaire situatie rond 1868 waren verwarrend, onlogisch en onoverzichtelijk. De commissie-de Wal wist dat ook wel. De commissie reageerde op feitelijkheden waarin Nederland geen enkele invloed kon doen gelden en waarbij het ook geen enkel belang had, dan alleen de staatsonzijdigheid en staatszelfstandigheid verkrampt proberen overeind te houden. En eigenlijk kon dat niet bij wet. Daarvoor was militaire doorzettingsmacht vereist. En die had het al lang niet meer. daarom is artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht eigenlijk een soort van noodsignaal. Een  sirene die loeit. Maar niemand die goed begreep waarvoor. Het is een reactie in wetsvorm op de volgende faseringen:
  • Dubbelstatus (1839–1866): Na de scheiding van Nederland en België in 1839 werd het grootste deel van Nederlands-Limburg (exclusief Maastricht en Venlo) als ‘hertogdom Limburg’ lid van de Duitse Bond, om zo de Duitse Bond schadeloos te stellen voor het verlies van een deel van Luxemburg. 
  • Einde van de Duitse Bond (1866): Na de Oostenrijks-Pruisische Oorlog van 1866, de zogeheten broederoorlog,  hield de Duitse Bond op te bestaan. Nederland regelde dat Limburg niet toetrad tot de nieuwe Noord-Duitse Bond. 
  • Verdrag van Londen (1867): Dit verdrag bevestigde de uittreding van Limburg uit de Duitse invloedssfeer. In 1868 was de overgang naar de elfde volwaardige Nederlandse provincie een feit, al bleef de culturele titel ‘hertogdom’ nog decennialang in gebruik door het provinciebestuur.
  • Politieke crisis in Den Haag: De manier waarop het kabinet (onder leiding van ministers zoals Van Zuylen van Nijevelt) handelde rond de buitenlandse status van Luxemburg en Limburg leidde tot zware conflicten met de Tweede Kamer, wat uiteindelijk de basis legde voor de moderne vertrouwensregel in het Nederlandse staatsrecht. De Minister van Zuylen had de eeuwigdurende neutraliteit van Luxemburg ook maar even mee gegarandeerd. Dat hield mede in, dat Nederland als garant Keizerlijk Duitsland mede de oorlog zou moeten verklaren in augustus 1914 toen het Luxemburg aanviel. Maar omdat Whitehall daaraan niet hechtte en de Nederlanders voorlopig liever kwijt dan rijk was als geallieerde drong het Britse kabinet daarop niet aan. Het liet de zaak ter discretie van Den Haag. Dat haalde opgelucht adem. Want het veldleger stelde echt niet veel voor, dat wist Whitehall ook wel.