Privilegium de ius non evocando en territorialteitsprincipe

De commissie-de Wal definieert het territorialiteitsbeginsel in haar vooroverleg als een rechtsnormatief principe dat enerzijds werkt als een instructienorm en anderzijds als een waarborgnorm. Staten hebben zich steeds gehouden aan de idee dat de ruimtelijke heerschappij van het wettenrecht dat staten opstellen ter beheersing van hun interne publieke domein direcht gebonden is aan, beperkt tot de interne geografische beschrijving van het binnenlands grondgebied. Dat is aanvankelijk een regelmatigheid geweest. Staten deden dat. Daaraan lagen aanvankelijk voooral pragmatische overwegingen ten grondslag. Binnen dat grondgebiedwas het bewijs voor het strafbare feit doorgaans te vinden in de getuigenverklaringen, de sporen van bepaalde handelingen, de documentatie over de verdachte, de opgebouwde dossiers over diens maatschappelijke ontwikkelingen op velerlei gebied, waaronder de justitiële documentatie en de opvattingen van de verdachte over wet, recht, overheid en bepaalde rechtsgoederen. Verder kon je ervan uitgaan dat de dader het recht in de wetten kende of had kunnen kennen en zich over de toepasselijkheid beraden had. Naarmate staten deze territoriale beperkingen bleven volgen in de bewijsredeneringen, vooral die over schuld, oorzakelijkheid, motieven en mogelijke dwalingen van feitelijke of juridisch aard bij de dader, ging zich in bijbehorend verwachtingspatroon bij hun buurstaten daarover uitrollen. Staten gingen, om jurisdictieconflicten met elkaar te voorkomen, verwachten dat hun regionale genoten in de statengemeenschap zich aan deze territoriale beperkingsnorm zouden houden. De frequentie kreeg dus rechtsnormatieve dimensies: Staten behoorden zich bij rechtsmachtclaims en activering van de daardoor opgeroepen jurisdictie te beperken tot dat grondgebied.

Omdat rechtsmachtconflicten altijd tot moeliijkheden leidden. Sedert 1815 hadden de staten zich aan dat principe doorgaans gehouden en dat bleek steeds als een staat zich helemaal niets van deze frequentie aantrok. Hier volgde de commissie de Gutachten — de onderliggende motieven en voorliggende overwegingen van rechtspolitieke strekking — die ontwikkeld werden door de ontwerpers van het concept-Wetboek van de Noord-Duitsche Bond. De commissie verwijst steeds naar dat concept, als ze probeert te rechtvaardigen waarom ze het primaat van het territorialiteitsbeginsel wil vestigen in het Algemeen Deel. De territoriale rechter is de rechter waarbij de vervolgde steeds rechtsingang behoort te krijgen: hier legt de commissie bijna als vanzelfsprekend een directe verbinding met een ander fundamenteel privilege: het privilegium de ius non evocando. Het recht op een basiscompetente, natuurlijke, rechter waarbij de vervolgde rechtsingang behoort te krijgen en mag claimen. Maar, zo zegt de commissie, die competentie van die rechter, hoort niet thuis in een nationale regeling van het materiële strafrecht. Dat is enerzijds een kwestie van de rechterlijke organisatie enerzijds en anderzijds van de strafbaarheid. Daarom treft het goed, dat de wetgever nu ook bezig is met zo’n strafvorderlijk wetboek. Want uiteraard is wenselijk dat beide wetboeken op dit punt naadloos op elkaar aansluiten. Dat is wetssystematisch van belang en consistentie is essentieel wanneer de wetboeken tezamen en in vereniging toepassing zullen krijgen na afkondiging en inwerkingtreding.

Gelukkig dat het wetboek van strafprocesrecht zo goed op koers ligt. De memorie van toelichting gaat dus niet uitgebreid in om deze verbinding tussen genoemd privilegium en het territoraliteitsbeginsel. Dat is opzettelijk niet gedaan, omdat de commissie ook vindt dat de Duitse juristen bij hun Gutachten zware dogmatische verhandelingen opzetten over de staat, het wezen daarvan, de rechtseenheid binnen het soevereiniteitsareaal, de status van de strafwet als lex perfectum en de meerdere voortreffelijkheid van het recht dat ooit in het Duitse Rijk heeft bestaan sedert keizer Barbarossa en dat volmaakt is via de Constitutio Criminalis Carolina. De commissie vindt dat de leestellig en bovendien wil ze soms toch ook stukken van het Napoleontische recht overeind blijven houden in het strafrechtelijk denkkader. Want zo raar en onpraktisch zijn die wetboeken van de kleine keizer nou ook weer niet geweest . Buitendien vindt de commissie ook wel dat de Duitste juristen-ontwerpers van de eerste redactie van het Bondswetboek wel wat zelfgenoegzaam uitgaan van de onbetwistbare superioriteit van het Germaanse recht. Ze wijst de vanzelfprekendheid daarvan met kracht af. En van het primaat van personaliteitsbeginsel moet ze niets hebben. Dat is te veel gegrond op de werkhypothese Am Deuteschen Wesen soll der Welt genesen. En op Blut und Bodem-achtige theoriën die in zwang zijn bij de oosterburen. Ze wil er geen woorden aan vuil maken. Maar die kant moet het niet op. Ze definieert ook verder het privilegium niet meer nader. Ze neemt aan dat er een natuurlijke rechter is. En dat die benaderbaar moet zijn als de staat in conflict verkeert met een Nederlands staatsburger. Dat is een grondrecht. Van die burger. Het is zo vanzelfsprekend dat daaraan geen woord verder is vuil te maken.