NAB V

Het NAB is er mooi klaar mee en schoot zich duchtig in de voet door al tijdens de verkiezingscampagne ermee aan te komen dat ze bewindspersonen uit de periode-Rutte strafrechtelijk wil vervolgen voor schennis van de grondwet. Alleen het idéé al. Maar toch; wat is er eigenlijk mis met dat idee. Die vervolgbaarheid wordt steeds weer aangevoerd als een van de symptomen dat Nederland een democratische rechtsstaat is, waaraan alle landen echt wel een voorbeeld kunnen nemen. Als de uitdrukking van het principe: geen bevoegdheden zonder verantwoordingsplicht. Als de logische consequentie van het principe dat de bewindspersonen persoonlijk sanctionabel zijn door de volksvertegenwoordiging.

En niet alleen doordat ze ontslag moeten vragen uit hun bediening wanneer tegen hen een motie van wantrouwen is ingediend door een Kamermeerderheid. Ze zijn het, wanneer ze echt een “politieke doodzonde begaan” tegen het constitutioneel bestel. En meestal, wanneer ze de Kamer verwijtbaar niet, slecht, gebrekkig of gedeeltelijk hebben geïnformeerd over de wijze waarop ze een aan de regering toegedachte zorgplicht hebben geborgd via uitvoeringsmaatregelen. Want daarop komt het doorgaans neer, zij het, dat het toch weer net een beetje anders ligt wanneer de bewindspersoon in kwestie buiten de volksvertegenwoordiging om daden stelt die hij alleen in gemeen overleg en met overeenstemming met de Kamer had mogen verrichten, zoals het verklaren van oorlog als feitelijke toestand tussen Nederland en een andere Mogendheid.

Voor een oorlogsverklaring was in 1813-1940 naar Nederlands staatsrecht een zekere redactie en procedure voorgeschreven. Hoe dat moest, was niet echt heel duidelijk, zoals ook bij een capitulatie of integrale soevereiniteitsopgave. Maar nadien, toen Nederland definitief de mogelijkheid scheen opgegeven te hebben ooit nog de status van gewapende neutraliteit te kunnen claimen, zijn die redactievoorschriften en die procedure eveneens definitief in de praktijk opgegeven. En ik gaf al aan dat Rutte en Hoekstra meermalen wereldkundig hebben gemaakt aan het volk en de Mogendheden dat Nederland nu ten gevolge van het Ukraïne-conflict in staat van oorlog verkeert met de Russische Federatie.

De Tweede Kamer heeft er nooit een punt van gemaakt. Het soevereine lichaam heeft het voor kennisgeving aangenomen en de gelederen van de coalitie sloten zich al, als daarover op enigerlei wijze gemord werd door een oppositionele partij als Baudets Forum voor Democratie. Maar als nu iets inconstitutioneel is, is het die oorlogsaanvaarding buiten de overlegvorm met de Staten-Generaal. Daarom dacht het NAB dat dat in ieder geval mede als strafrechtelijk schuldverwijt meegenomen zou kunnen worden in de samengestelde tenlastelegging die het NAB aan de Kamer zou willen voorleggen. Hetgeen beslist constitutioneel correct zou zijn al zou het nog niet eens zo makkelijk zijn om die buitenparlementaire oorlogsaanvaarding strafrechtelijk te rubriceren onder een delictsomschrijving. Want dat zou dan toch óók een punt zijn: welke misdrijven leveren die desinformatie van regeringswege en die oorlogsaanvaarding dan precies op? Een aanslag op de grondwettelijke regeringsvorm?

Het zou te proberen zijn, maar veel houvast zou de wetshistorische uitleg van die strafbaarstelling vanaf 1813 tot 1940 niet opleveren. Dat zou het NAB toch moeten weten. Onder artikel 355 van het Wetboek van Strafrecht zouden deze gedragingen niet makkelijk te begrijpen zijn, dat is zeker waar. Desinformatie geschiedt doorgaans niet bij wetsbesluit, oorlogsaanvaarding evenmin. De bewindspersonen immers contrasigneren – tekenen naast de koninklijke handtekening, ten bewijze dat die zijn krabbel onder de hoede van ministeriële verantwoordelijkheid heeft geplaatst — in deze twee gevallen geen schriftelijk stuk vanwege de Koning.

Het NAB, kortom, had dus wijzer moeten zijn. Het NAB haalt niet eens de kiesdeler wegens haar waanzinnig programma. Dat overigens rechtshistorisch zo welberedeneerd zou wezen. Het is wat te zeggen. Maar, nogmaals, als dat nu allemaal zo is, wat betekent artikel 119 van de Grondwet dan eigenlijk nog? Dat lijkt het NAB dan toch een boeiende vraag. Zij zal in de Kamer haar zienswijze niet kunnen doen flonkeren. Want ze wordt stomweg voordien al kaltgestellt. En niet alleen omdat het electoraat van dat beslispunt niet wil weten.

Want dat zou de dames en heren volksvertegenwoordigers die zich via deze omwegen eigenlijk een hoge graad van immuniteit van jurisdictie hebben verzekerd – buiten de Grondwet om – nog weleens vies tegen kunnen vallen. Dat electoraat zou zelf weleens wat kunnen zien in een verwijzing ex artikel 119. Als opening en introïtus naar een liturgische catharsis die heel veel zuivering zou bewerken in de zielen van de verlichten in de Kamer. Openbare boetedoening rekent af met de eeuwigdurende zondeschuld. Pas dan kan men terugkeren tot de gemeenschap der gelovigen. De Katholieke Kerk wist het al spoedig.