Het territorialiteitsbeginsel is dus een afschermend beginsel dat vreemde rechtsinvloeden weert binnen het Nederlandse territoir, maar dat tevens de Rijksoverheid verplicht en machtigt om binnen dat territoir op zelfgekozen wijze de publieke rechtsorde samen te stellen en daarvoor een adequaat vervolgingsrecht te reserveren. Men spreekt daarom ook van een positieve werking van het beginsel: het beschermt en biedt Nederland als mogendheid de faculteit van de nationale zelfbestemming,. Maar dan moet Nederland er natuurlijk ook gebruik van maken op zodanige wijze dat de andere staten met wie Nederland een rechtsgemeenschap vormt niet kunnen klagen dat Nederland een falende of gemankeerde staat is met slechts een publieke anarchie binnenslands tot gevolg. Verder, dat Nederland bij die zelfbestemming rekening kan houden met de geldingswijze van buitenlands recht binnen zijn rechtskring. Het kan rekening houden met de lex loci, de wet van de plaats waar het feit ruimtelijk is begaan of voltooid. Maar Nederland moet zulks dan ook doen op basis van wettelijke voorzieningen (proscribed by law) die aan rechtmatige ingezetenen publiek kenbaar zijn gemaakt. Deze onderdanen, staatsburgers of niet, mogen er mee rekenen dat Nederland niet accepteert dat zij worden overvallen door buitenlandse delictsomschrijvingen en strafbedreigingen die Nederland niet alleen zelf niet erkent als rechtmatig maar die neerkomen op excessieve bevoegdheidsaanmatigingen buiten het stellig volkerenrecht om. Nederland eist deze zelfbestemming op, maar gunt ze aan door Nederland erkende staten op vergelijkbare wijze. Claimt Nederland extraterritoriale rechtsmacht op, dan kan het dat doen door daarbij tevens te letten op de strafbaarheid voor vergelijkbare normstellingen die het zelf een strafsanctie waard acht: het delict moet wederkerig op vergelijkbare wijze min of meer identiek strafbaar zijn. Dat is het principe van de normidentiteit dat nu, tussen 1860-1900, op Het Continent van Europa wordt ingevoerd, een noviteit, waaraan de staten echt moeten wennen.

Dat is het stelsel van strafmachtsaanspraken in West-Europa dat in de tweede helft van de negentiende eeuw over de mogendheden daar vaardig wordt. Het gevolg ervan is dat deze staten elkaar gunnen waartoe zij zichzelf wettelijk jurisdictioneel machtigen op basis van de fictie van de gelijkheid van de staten (statal equality wordt de geijkte term) en dat zij verder geen strafvervolgingen zullen entameren voor feiten die andere staten al onherroepelijk hebben afgedaan bij eindgewijsde dat voor tenuitvoerlegging vatbaar is naar hun eigen recht. Heeft de vreemde staatsmacht dus terzake van een normidentiek strafbaar feit strafvorderlijk vervolgd, dan mag aan andere staat dat niet meer doen en moet het zorgen dat een herhaalde vervolging afstuit op een nationaalrechtelijk voorziene vervolgingsuitsluitingsgrond van niet-ontvankelijkheid. Dat systeem wordt tot uitgangspunt genomen in 1920 door de Volkenbond, instituut ter borging van collectieve veiligheid onder staten die bereid zijn in te stemmen met de bijlage bij het Verdrag van Versailles van 1920, de beruchte vredesregeling die een einde moet maken aan alle oorlogen en dat uiteindelijk in 1922 volledig in werking treedt, mondiaal bekeken. De Verenigde Naties nemen het over. Maar het Statuut van Rome 1998 breekt er weer op in, aangezien het eigenlijk te behoeve van het ICC het normidentiteitsbeginsel deels op zij zet, zoals we zagen ten aanzien van bijvoorbeeld delicten als perjury, contempt of court, tempering with evidence, obstruction of Justice, retaliating against an official of the Court en soliciting a bribe as an Courts official. Allemaal common law delicten, onbekend op Het Continent en allemaal excessief vaag in een mate die nauwelijks te rijmen is met het legaliteitsbeginsel zoals dat Continent dat definieert. De Duitsers spreken van een Bestimmtheitsgebot. De nationale wetgevers moeten hun strafwetten naar strafposities, delictsomschrijvingen en strafbedreigingen uiterst precies inrichten, redactioneel naar de nationale taal. En zó’n beginsel, een redactioneel preciesheids- en zekerheidsprincipe, kennen de Angelsaksen nu eenmaal niet. Nog steeds niet. Hun strafrecht wemelt van delicten die wettelijk niet gedefinieerd zijn, maar jurisprudentieel door Britse rechters. Op basis van eeuwenoude gewoonten of tradities. Die delicten komen steeds neer op hoeksteen-verbodsbepalingen. Ze kunnen niet uitputtend gedefinieerd worden in een algemene wet, zeggen de Britten. Voor de volkerengemeenschap zijn ze essentieel. Daarom mogen ze niet in reikwijdte gefixeerd worden. Ze zijn fermentatiepunten. Richtinggevende bakens. Alle staten zouden ze moeten kennen en invoeren. Ze zijn gewoonten waarover je niet discussieert. Zo moeten universele strafbaarstellingen zijn, aldus de Britten. Interpretatierichtlijnen voor de naties.
En vervolgens overgenomen in de statuten van Neurenberg en Tokio, die basis waren voor de eerste universele straftribunalen die misdrijven tegen de mensheid en haar menselijkheid mochten bestraffen. In het geval Khan kan dat tot problemen leiden, vooral, wanneer belanghebbenden vanuit uit hun specifieke invalshoeken ook nog van private opsporingsdiensten gebruik gaan maken – en de media suggereren in koor dat Khan dat doet – opererend in Nederland. In het Angelsaksisch adversarial system (twee partijen-systeem) is deze private tussenkomst bij de bewijsgaring á charge of á decharge in het algemeen toegelaten. Vooral als men bedenkt dat ICC ook nog eens rechtshulpvarianten mag aanvragen ingevolge het Statuut van Rome die het gastland zelf niet kent en soms verwerpt, reeds omdat de Angelsaksen het legaliteitsbeginsel niet geldig achten in het interstatelijk rechtshulpverkeer. Er is wel op gewezen bij de voordracht van de bij het Statuut behorende uitvoeringswetgeving. Zeker. Zelfs van ambtelijke zijde door de delegatie die in New York de gastlandpositie verdedigde. Maar de Tweede Kamer was zó opgetogen en verlangend Den Haag als Legal Capital of the World op de kaart te zetten van de wereld waarin het Angelsaksisch recht eindelijk, eindelijk, volledig triomfeerde dat ze aan deze kwesties geen enkele aandacht wilde geven. Want de geschiedenis der mensheid was nu ten einde. Dus ook de rechtsgeschiedenis. Dus de queeste naar fundamentele bewijsstandaarden en bewijsminima was ook voleindigd. Dat was de consequentie van het feit dat Francis Fukuyama desbevoegd en volledig gebrevetteerd het einde van de geschiedenis mocht proclameren met instemming van ieder weldenkend deel van iedere westerse natie. Naties die weldenkend waren. Natuurlijk. Vanzelfsprekend.
