De kentering van de seizoenen wordt in oktober echt manifest. Er is een hardnekkige kruisspin, die in het lijstwerk van mijn deuropening haar kunstige web blijft weven. Iedere ochtend verscheur ik, naar buiten tredend, dat web met tegenzin, maar ik moet het pand door diverse nooddruft gedreven nu eenmaal verlaten, om boodschappen te doen of naar het hospitaal te tijgen om een afspraak gestand te doen. Het web glinstert mij dan tegemoet in het ochtendgloren. Want de zon staat dan laag en aan het web schitteren dauwdruppels met de spin welgedaan in het middenpunt, wachtend op vliegjes en vlindertjes of ander vliegend gespuis dat geen directe nut schijnt te hebben. Maar hoezeer het wrochtsel dat daar prijkt op de dorpel hoogachtend, vernietigen moet ik het. De spin ten euvel. Maar die geleedpotige is, keer ik weer, bezig aan volstandige restauraties die ik toch óók weer moet verstoren. Op weg, vroeger, naar de kloostermissen die ik diende en naar de Sint Willibrordusschool aan de Zeelsterstraat zag ik die herfstdraden zweven in de ochtendmisten terwijl de klokken beierden. En weer voelde ik mij daardoor onverklaarbaar vroom. Onze meester van de derde klasse bad deze ochtenden speciaal tot Maria, de Moeder van Christus, met van devotie bevende vette stem. Maria was er ook. In de vorm van een gipsen beeld met daapse glimlach. Goedertieren keek ze op ons neer, de christenjeugd, waarvoor de meester speciaal bad, want die jeugd had moeders nodig in altijddurende bijstand.

Thuis bakten ze er niet veel van, dat wist meester ook wel. Daarom dat speciale onbegrijpelijke ochtendgebed tegen de onkuisheid die onvermijdelijk ons zou overweldigen. De goeden niet te na gesproken, zei de meester, want die waren er ook. Maar niet veel. Daarom had de Paus speciale voorzieningen getroffen voordat het allemaal uit de hand liep en wij achter de slechte meiden aangingen. De slechte meiden die lagen te vallen in de Flinstone-huisjes in het Oppenheimpark met blote benen en korte rokken, meester had het wel gezien. Pius XII, roemrijk nog steeds regerend in Europa over vuile communisten had oktober aan Maria opgedragen. Oktober is in de Rooms-Katholieke Kerk de rozenkransmaand vanwege het liturgische feest van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans op 7 oktober. Dat zei meester met innige nadruk. En daarom moesten we nu godverdomme steeds onze rozenkrans bij ons hebben in de klas. Wie dat niet deed, zou ongenadig op zijn lazer krijgen met de aanwijsstok. De meester zou het controleren en ook of wij de geheimen van de rozenkrans uit het hoofd konden opzeggen. Hij zou ons wel klein krijgen. Want wat had de Moeder-Maagd allemaal al niet voor ons gedaan, non-de-ju? De belangrijkste redenen om Haar eeuwig dankbaar te zijn: De Slag bij Lepanto (1571): Op 7 oktober 1571 won een christelijke vloot (de Heilige Liga) een belangrijke zeeslag tegen het Ottomaanse Rijk. Paus Pius V schreef deze onverwachte overwinning aan het bidden van de rozenkrans en stelde die herdenking in op 7 oktober. Daar moesten wij ons hier aan de Zeelsterstraat meer van bewust zijn. Vooral aan de school vol met die rotzoontjes van die glasblazers bij Philips die zelf al voor niets deugden en hun zoontjes nog minder. Vuile communisten waren het. De meester wist er alles van. De Paus vond het ook. Daar had je het bewijs. Vandaar de Pauselijke stimulering in de 19e eeuw: Paus Leo XIII riep in 1883 in zijn schrijven (Supremi apostolatus officio) op om de gehele maand oktober intensief de rozenkrans te bidden voor de zielen in doodzonde en de noden van de kerk. Hierdoor groeide de traditie, ook in het godverloochenend Brabant, om heel oktober aan de rozenkrans te wijden. Waard om te onderhouden, de meester zou het er wel inslaan, was dat goed begrepen? Want hij had ons wel in de gaten. En Maria ook. Zo raasde meester nog even door. En dat horend, besloot ik niet met de zoontjes van die godverdommese glasblazers om te gaan. Want de moedermaagd zag mij, vooral omdat ik misdienaar was. Overal.
Wat hadden wij een geluk, dat wij deze wijding deelachtig konden worden. Dat beseften we niet goed, vuile rotschoften als we waren. En dat terwijl dat gebed juist leidde tot de ervaring van de Geloofsmysteries: Tijdens het rozenkransgebed overdenken gelovigen belangrijke gebeurtenissen (mysteries) uit het leven van Jezus en Maria, wat centraal staat in deze maand. En ook dat deden wij niet naar behoren. Maar we verdeden ons aan ontucht, gerook van illegale sigaretten en kansspelen die tot verderf leidden. Gokken, mijnheer, en landje-pik spelen met ongeoorloofde zakmessen met kartelrand. Hij had het wel gezien, de meester, fietsend naar het Huis voor Vrijgezellen aan de Deken van Somerenstraat. Als hij dat nog eens zou zien, deze oktobermaand, dan vielen er harde klappen. Daar konden handig ongelukken van komen. Aldus, in deze geur van oprechte religieuze bezieling, baden we staccato de rozenkrans af, beducht voor het nedersuizend rietje. Eendrachtig gingen we op tot de geloofsgeheimen en tot Bonanza, want die kwam des avonds op de televisie. Maar dat Bonanza niet gelovig was, dat kon je wel merken. Nee, bij Bonanza deden ze niks aan het geloof dat wij dan hadden. Geen wonder dat Maria steeds vaker verscheen in deze periode. Steeds huilend, natuurlijk. Zoals de Moeder van Alle Volkeren die pas nog in Amsterdam was verschenen aan een of ander stom wijf waarvan de naam de meester even was ontschoten. Het was allemaal niet zo mooi wat de mensheid de Maagd aandeed. Want dat had ze toch echt niet verdiend aan haar Zoon, het Lam Gods ook nog. In een moeite door. Allemaal voor de mensheid. Ook voor die glasblazerszoontjes.
