In 1972 was het stof bepaald nog niet neergedwarreld die de contestaties vanaf 1968 hadden te weggebracht in de nog zo jonge faculteit van de rechtsgeleerdheid, die flink veel extra subsidies kreeg uit Den Haag dat de achterstanden die Noord-Brabant op het gebied van het middelbare en hoger onderwijs wilde wegwerken. De Brabanders wisten zich achtergesteld bij de randstad in Holland en bewerkten de ambtelijke gemoederen bij het ministerie van Onderwijs ter dege. Bedenk ook dat in Nederlands Limburg nog geen universiteit stond. Er kwamen dus heel veel Limburgers naar Tilburg om te studeren aan de gloednieuwe faculteit die zich overigens nog geheel bewijzen moest, in ieder opzicht. Promoties waren zonderlinge ceremonieën die plaatselijk veel ruchtbaarheid veroorzaakten en terecht kwamen op de voorpagina’s van Het Nieuwsblad van het Zuiden. Van demonstraties waarbij “de structuren” omver geworpen moesten worden keek daarentegen niemand meer op. Maar er waren veel begeerlijke vacatures in de steeds maar uitdijende vakgroepen. Dat ging aan mij in 1972 natuurlijk totaal voorbij. Ik was alleen verbijsterd over de indolente, verongelijkte houding die iedere student maar placht aan te nemen jegens de overheid die overigens met renteloze voorschotten buitengewoon royaal was om Brabant te verheffen en iedereen aan het infuus van de overheidsvoorzieningen te leggen. De eis om studieloon omdat men uiteindelijk een “arbeider” bleek te zijn kwam mij nogal misplaatst voor. Omdat ik echt wel wist dat echte arbeiders niet kontkrabbend en nog geeuwend van de wiet om half elf in de ochtend zich konden vervoegen bij hun broodheer teneinde diens dagindelingen aan flarden te bekritiseren. En dat standpunt heb ik nog immer. Evenals ik veel voel voor het adagium dat wie niet werkt, ook niet eten zal. Ik placht dat als hoogstudent maar ten beste te geven, gehuld in de aan de knieën enigszins glimmende kostuums die adjudant Van der Palen van de Woenselse politiebrigade had afgedankt als zijnde oudmodisch maar nog heel goed af te dragen, zoals mijn moeder mij zorgelijk instrueerde. Het gaf mij een redelijk geïsoleerde positie binnen de studentenbent die mij hoofdschuddend op afstand hield, ook al omdat het wapen in mijn stropdas verried dat ik gek was op militaria waarin echter Marxisten en Leninisten geen vreugde schiepen, zelfs niet op revisionistische Trotskistische grondslag.
Ik wil niet zover gaan dat ik mij van deze nauwelijks verhulde afkeer niets aantrok. Maar ik ervoer wel dat alles uiteindelijk went. Bovendien had ik geen andere soort kleding ter beschikking om mijn magere gestalte te bedekken en iedere aanstoot te vermijden. Studeren bleek toch nog duur, niettegenstaande dat voorschot. En ik besloot er dus korte metten mee te maken. Mooie meiden waren verder niet in groten getale op deze Tilburgse faculteiten aanwezig. Dus voorgezet avondlijk verblijf noodde niet. De hogeschool kreeg middelerwijl steeds meer klandizie. Het bijpassend uniform bleek toch het wat duurdere spijkergoed van Levi’s dat ik mij niet permitteren kon. En het stond mij ook niet. Iemand had een soort hesje van die stof laten hangen in de kantine, waar ook de kroketten lagen te stomen. Daaraan kon ik proefondervindelijk vaststellen dat ik er mee uitzag als de spreekwoordelijke ontsnapte tuchthuisboef. En of ik nu wel of niet instemde met de gedurig aangeheven kreet dat alle macht aan het volk moest, het maakte voor de aantrekkingskracht van mijn doffe verschijning niets uit. Verder heette de Rooms-katholieke Hogeschool op het standaard briefpapier nog wel katholiek, maar in het onderwijscurriculum bleek daarvan niets. Er werd in het eerste jaar zijdelings verontschuldigend even gerept van zekere Thomas van Aquino door een gebaarde docent die voordien ongeschoeide carmeliet was geweest. Maar welke linksbinnen van welke club dat was geweest was ook deze zonderling niet helemaal meer duidelijk. Wel keek hij met uitpuilende ogen naar de minirokjes dragend hooggelaarsde meisjes op de eerste rij van de grote collegezaal C40, maar die gaven uiteraard geen sjoege en geen sjans. Het gold hier trouwens geen studentes. Maar meisjes, gerekruteerd aan de Tilburgse Mater Amabilisscholen die tijdelijk waren meegenomen door de vale jongeren die wel studeerden, maar deze meisjes hadden geïmporteerd voor nachtelijke neukpartijen in de gangen van de laagbouw. De “K” van Katholiek bleef coûte que coûte nog in de brievenhoofden gehandhaafd om der wille van de subsidieverstrekking aan de studentenorganisaties en hun politieke fracties. Maar verder hield men het bij Mao en Pol Pot. Nadat de naam van de hogeschool in 1969 door protesterende beweerdelijk linkse studenten voor slechts enkele dagen met veel heibel, reclame en sensatiezucht was omgedoopt in Karl Marx Universiteit, trad er enige rust in toerekenbaar aan de enorme welvaartsstijging die zich over deze generatie van oeverloos vrijgestelden uitstortte.

Als in 1986 een wetswijziging bepaalt dat economische en technische hogescholen voortaan ook het predicaat ‘universiteit’ mogen dragen, treedt er opnieuw een verandering op in de externe tenaamstelling van het instituut. Dat kan nog rekenen op bijval van het curatorium van de hogeschool. Verder komt er een kleurig boord aan de hoogbouw te prijken waarop de teloorgang van een zekere Salvador Allende in Chili dramatisch uit de doeken wordt gedaan. Gaat de instelling Allende-universiteit heten? Men beraamt nu, door ervaring gelooid, dat de inrichting dan in het volkse taalgebruik van Tilburg ellende-universiteit zal heten, en dat reclameert minder prettig. Omdat Katholieke Universiteit Tilburg een nogal discutabele afkorting krijgt, wordt besloten om het briefpapier voortaan te voorzien van de naam Katholieke Universiteit Brabant (KUB). Ook het logo van de Tilburgse instelling past men aan; in een weinig nietszeggend en abstract streepjespatroon. De confessionele aanduiding blijft nog steeds overeind. In 2001 sneuvelt dan tenslotte het predicaat ‘katholiek’ en heet de Brabantse universiteit voortaan Universiteit van Tilburg’ (UvT). De universiteit laat haar katholieke wortels echter niet los. Het is gewoonte geworden. Het betekent inhoudelijk niets of het tegendeel van wat het suggereert. Zo worden er talloze levensbeschouwelijke activiteiten op de campus ontwikkeld onder het motto ‘open katholiek’. “Open” betekent “onbeschoft”. De bijvoeglijke naamwoorden zijn identiek inwisselbaar in iedere context. Ook blijft het stichtingsbestuur bestaan onder de naam Katholieke Universiteit Brabant. Het logo wordt radicaal aangepast. Er verschijnt nu een levensboom, als teken van wijsheid, geflankeerd door twee personen. Eentje houdt een sleutel vast (waarmee de kennis ontsloten kan worden), de andere een boek. Of is het de apostel Petrus, die traditioneel met een sleutel wordt afgebeeld? En is die andere vent dan soms de weerbarstige Romeinse staatsburger Paulus die zo kundig het christendom in De Levant placht te slijten op demagogische wijze? Niemand die het weet. En niemand die het ook wil weten. Het is, ideologisch, voor elck wat wils. En ik zou zeggen: katholieker kan het eigenlijk niet. Zo de wind waait, waait mijn kwastje, als het maar in het universitaire steenkolen-Engels is. Nog één keer, tenminste voorlopig, worden de piketpaaltjes van de naam verzet en dat is in 2010 als de universiteit haar internationale karakter meer wil gaan benadrukken. Vanaf dat moment heet de instelling kortweg ‘Tilburg University’. Daar kun je in neonbelettering nog alle kanten mee op. En dat gebeurt dan ook.
