Wetenschappelijk medewerker te Tilburg

 

In 1977 kreeg ik vanuit Tilburg een belletje over de vervulling van een nieuwe vacature van tijdelijke aard. Die van wetenschappelijk assistent ter vervanging van een gat in het personeelsbestand van de vakgroep strafrechtswetenschappen. De hoogleraar strafrecht A.C. ’t Hart werd benoemd in de staatscommissie Schöffer die tot taak had het vervolgingsbeleid van het Nederlandse Openbaar Ministerie te onderzoeken in de steeds nog voortslepende Menten-affaire: de Blaricumse handelaar in antiek die sedert 1945 steeds weer in de kijkert had gelopen wegens oorlogsmisdaden begaan in de Tweede Wereldoorlog, vooral ten laste van Poolse Joden. Er waren ook steeds gegronde verdenkingen geweest, maar altijd weer was deze Menten, overigens destijds al op opvallende wijze,  de dans ontsprongen totdat in 1976 door tussenkomst van een Joodse journalist zoveel bezwarends was (her)ontdekt dat aan een vervolging niet (meer) scheen te kunnen worden ontkomen. De minister van Justitie A.A.M. van Agt was door deze affaire in grote politieke stormen terecht gekomen, want zijn Openbaar Ministerie scheen steeds grof nalatig te zijn geweest bij het slaan van de vervolgingsbeslissingen. En de Tweede Kamer wilde nu eindelijk wel eens weten hoe het eigenlijk gezeten had. Daarmee zou ’t Hart voor langere tijd bezig zijn als commissielid. En ik kreeg nu de kans die assistent te worden. Ook al was ik nog niet afgestudeerd. Ik sprak met de vakgroepvoorzitter Wim Nieboer af dat ik in februari 1978 zou beginnen maar dat ik eerst waarnemend griffier zou worden bij de rechtbank Den Bosch om de strafprocessuele praktijk wat beter te leren kennen. Verder zou het bij verlening van de aanstelling tot aanbeveling strekken als ik een proefschrift zou willen schrijven, ook al omdat promoties te Tilburg aan de rechtsgeleerde faculteit buitengewoon schaars waren. Het departement van Wetenschappen had er nogal wat van gezegd, ook al omdat de jonge Tilburgse juridische faculteit in ongedachte richting linksistisch aan het dóórschieten was in ongeremd en toch ook wel structuurloos activisme. Er waren banden met de Rode Jeugd en met RaRa maar ook met de Rote Armee Fraktion geconstateerd. Daar wist ik niets van natuurlijk. Maar in strafvervolgingen was zulks gebleken. Destijds was dat, anders dan nu, iets wat met misprijzen werd waargenomen van rijkswege. Ik was in dat opzicht wat onbenullig. Maar Nieboer bleek nog erger. En niet alleen onder deze merkwaardige invalshoek. Nieboer was erop aangesproken door het curatorium. Ik zag hierin een kans die ik zeker niet mocht verwaarlozen. En begon.

Aan een dogmatisch proefschrift dat niet zou kunnen uitmonden in de hoogst polemiserende en polariserende toonzettingen die destijds steeds gangbaarder werden, dat gaf Nieboer mij duidelijk te kennen. Ik besloot daarom te gaan schrijven over “dwaling en de invloed daarvan op de schuldvormen opzet, nalatigheid en verwijtbaarheid” en zulks op de grondslagen van de kennisleer van Thomas van Aquino, waarmee ik zelf al wat diepergaand op de hoogte was geraakt tijdens het schrijven van een doctoraal scriptie en een monografie over de schuldvormen bij de biecht. Men kan zich afvragen – en dat deed ik ook – of de Aquiniër over de strafrechtelijke aansprakelijkheden een eigenstandige scholastiek heeft gevestigd.   Heeft Thomas van Aquino een originele eigenstandige leer ontwikkeld over het wereldse strafrecht en de daarmee te bereiken einddoelen? Het antwoord bleek slechts ontkennend te kunnen zijn. Nee, Thomas van Aquino heeft geen originele, eigenstandige leer ontwikkeld die specifiek en uitsluitend is gewijd aan het wereldse strafrecht. Hoewel hij diepgaand heeft geschreven over recht, rechtvaardigheid en straf, maakte zijn visie op het strafrecht integraal deel uit van een veel breder, alomvattend theologisch en ethisch systeem. Bovendien was zijn benadering geen volledig nieuw denkmodel over schuld en boete, vergelding en wraak, maar een synthese van de klassieke filosofie (vooral Aristoteles) en de christelijke traditie (zoals Augustinus). Die kerkvader Augustinus was mij zeer bekend omdat we op het gymnasium zijn confessiones of belijdenissen hadden moeten vertalen en verder zijn meer staatshuishoudelijke leer over de staat van God of Civitas Maxima. En daar dacht ik methodologische houvast aan te hebben. Ook kennistheoretisch.

Dat ik mij daarmee automatisch zou plaatsen aan de uiterst rechtse zijde van de katholieke fundamentalisten had ik niet voorzien. Maar dat bleek toch in 1983 toen ik promoveerde. Vooral in de destijds zo modieuze weekschriften zoals Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Bladen die mij vreemd waren. Maar die toch aandacht besteedden aan mijn beschouwingen toen ze een wetenschappelijke prijs bleken op te leveren die mij in de Haagse Pulchri-Studio’s werd uitgereikt. Ik dacht aan Thomas een plechtanker te hebben, want Nieboer was er voornamelijk niet. Niet in Tilburg. Mijn vlijt wekte deerlijk wantrouwen op bij de vakgroepgenoten die mij een uitslover heetten, omdat ik tevens het nieuwe multiple choice-examensysteem codificeerde aan de hand van dogmatische vragen ontleend aan de zevende druk van D. Hazewinkel Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, Groningen 1975. Een maatschappijbevestigend boek dat gewaagde van repressieve tolerantie. Aldus de collegae. Thomas stond er ook in. En daarom trok ik die lijn maar door, want dat boek was nu eenmaal in Tilburg destijds voorgeschreven. Thomas’ ideeën over straf en de daarmee te bereiken einddoelen zijn niettemin zeer invloedrijk geweest en laten zich als volgt samenvatten binnen zijn grotere epistemologische systeem: er bestaat een vóórgegeven inbedding in de Wettenhiërarchie. Voor Thomas van Aquino is het menselijke, wereldse recht (lex humana) slechts de onderste laag van een kosmische orde. De menselijke wet leidt haar geldigheid af uit de natuurwet (lex naturalis) en uiteindelijk de goddelijke wet (lex aeterna).

  • Het wereldse strafrecht heeft een beperkt, afgeleid doel: het handhaven van de uiterlijke vrede en de morele orde in de samenleving ten behoeve van het algemeen welzijn (bonum commune).
  • Het wereldse recht kan en moet volgens Thomas niet alle zonden bestraffen. Het richt zich puur op de zonden die de menselijke samenleving rechtstreeks schaden (zoals moord of diefstal). Daarvoor is het uitgedacht. Op basis van veronderstellingen die lang niet altijd eeuwige en universele gelding hebben.