Ook al trachtte ik mij zoveel mogelijk te drukken en schaars te maken in de omgeving van deze nieuwe directeur, het lukte mij niet om geheel op te gaan in het apparaat als bureaucratisch schakeltje uit het verderop gelegen vooronder, waar dekdienende officieren met hun glinsterend goudgalon niet plachten te komen. Wel in tegendeel. De directeur had op het eerste gezicht gevoelens van onlust bij mijn verschijning gekregen. Ik paste niet in zijn plaatje. Helemaal niet. Dat gaf hij ook later wel toe, dat hem het wel vaker gebeurde dat hij gewoonweg een hekel aan iemand had. Zo zat hij, lichtte hij omstandig toe, nu eenmaal in elkaar en dat moesten zijn mensen accepteren. Ik liep niet in het gareel. Dat wou hij nog kwijt. En daar kon hij niet tegen. Hij had inmiddels al een hofhouding om zijn persoon gecomponeerd met lieden die hij juist wel goed kon zetten. Lieden die tegen hem opkeken en óók van snelle auto’s hielden, humor konden waarderen en ook inzagen dat het nu eenmaal rangen en standen en daaraan verbonden schalen waren. Met veel consequenties. Zo sprak hij, om maar eens iets te noemen, niet met mensen uit schaal zestien. Dat was een principe. En daar hechtte hij aan. Hij leek in ieder opzicht op Opperwachtmeester Schulz uit de trilogie van Kirst over de Tweede Wereldoorlog die óók dergelijke principes had en koesterde. De serie behandelt uitvoerig de opbouw van het Duitse militaire apparaat in deel I, de oorlog die daaruit voortvloeit en het desastreuze einde daarvan voor iedereen behalve Schulz. Want die is inmiddels, in Deel III, een zwaar gedecoreerde kapitein geworden. Hij zou eigenlijk ook al lang majoor hebben moeten zijn, maar de adminstratieve post van de afdeling personeelszaken in Berlijn had ontoelaatbare vertraging opgelopen in de laatste dagen van het Derde Rijk, iets, wat natuurlijk helemaal nooit had mogen gebeuren. Schulz is gebeten op de ijverige en gedienstige kanonnier Vierbein. Omdat Schulz gelooft dat deze Vierbein het wil aanleggen met Schulz’ vrouw, Lore, een redelijk wulpse tante die nimfomane trekken heeft. Terwijl Vierbein een blanke knaap is, die ongeneselijk romantisch is.

Schulz kan deze Vierbein niet luchten of zien en zet het onderofficierenkorps op Vierbein vindingrijk te sarren. En dat lukt prima, want deze gegradueerden weten dat Schulz hun loopbaan bestiert via beoordelingen en conduitestaten. Wat Vierbein ook doet, het pakt verkeerd uit. Het is een boeiend verhaal. Ik las het in een ruk uit. Als jongeling op het gymnasium die ook nog lelieblank was. En ik bleek Vierbein te zijn, in de nieuwe opzet van de directie Wetgeving. Ik paste óók niet in het plaatje. Lastig was dat. Leerzaam wellicht. Maar wat had ik er aan. Dat vraag ik u af. Mijn kamer lag aan de gang die ook leidde naar het kantoor van deze directeur en ik hoorde ’s mans voetschreden iedere ochtend van de werkdag naderen in het merkwaardige ritme tussen rustig wandelen en staccato dribbelen in. Dan, bij mijn deur, stopte het geluid. En flapte de deur open (zonder kloppen) en stond de directeur stuipig in de deuropening, mij een banjir van grieven en invectieven toebijtend waarvan ik de feitelijke grondslag nooit direct duidelijk kreeg omdat de directeur steeds verbetener werd en op den duur hevig begon te schreeuwen. Ook toen de Baron er nog was om dempend op te treden, al was diens décès aanstaande nadat die tumor inoperabel was gebleken. Want de Baron zag mij wel zitten op de diplomatieke post in New York. Ik had hem uiteengezet wat de risico’s waren van de zeteling van dat ICC voor de veiligheid van Nederland en wat de dreigingsanalyses waren. Want die waren redelijk overtuigend al gebleken nadat het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag was neergestreken en rechters flink hun immuniteiten bleken te misbruiken. Daaraan kon een halt worden toegeroepen, mits op omzwachtelde wijze. Via de griffier van dat tribunaal. Ik deed ervaringen op die ik kon verwerken in zetelarrangementen ter uitvoering van het Statuut van dat Tribunaal. En die verwerkte ik uiteraard in de zetelarrangementen voor dat ICC. maar daar had de directeur, schuimbekkend, niets mee te maken. Ik kwam vroeg op het werk om stiekem telefoontjes te plegen met familie en magen. Dat had hij best in de gaten. Vooral met mijn moeder. Zo’n ventje was ik. En de tegenwerping dat mijn moeder al lang dood was, hielp niet echt. En zo was er steeds wat. De directeur deelde mee dat ik maar weg moest. Functie elders. En daarin kon ik een heel eind met hem meegaan. Dat was inderdaad beter voor beiden. Aan mij zou het echt niet liggen. En ik vond ook nog aanleiding om de directeur te verzekeren dat ik hem als manager zeer hoog had. Om zo met mij mee te leven. Want mijn vader lag op zijn uiterste, dat had hij goed aangevoeld. Het was een vreugde onder zulk een gezagsdrager te mogen werken.
