Die directeur stak dus niet onder stoelen of banken dat hij mij niet moest. En dan druk ik mij nog zwakjes uit. Want hij liet het overal blijken en bazuinde de vreemdste verhalen en taxaties te mijnen laste rond. In dat beperkte wereldje van de topambtenarij. Maar hij had ook wel weer in de gaten, dat ik ambtshalve in de diplomatieke wereld hoogwaardigheidsbekleders ontmoette. En dat die personen onderscheidingen konden uitreiken. Medailles en ridderkruisen die deze directeur zo node miste op zijn tuniek, die hij zo graag en zo vaak droeg. Ik stelde mij hem vaak voor in pyjama, met die enorme kolbak op. Starend naar zichzelf in de spiegel. Het zijdgeweer rammelend heffend voor het slapengaan. Op zijn flat aan de Van Alkemadelaan. Soms het balkon betredend om naar een denkbeeldige menigte te salueren en daarna de oorlog te verklaren aan een natie die hem dwars zat. Zoals ook Keizer Wilhelm II placht te doen, want ook die man kon niet vaak genoeg van uniform wisselen. En ook die man werd verteerd van innerlijke onrust en dadendrang. Het bleef dus niet lang uit voordat deze directeur mij aanzei dat hij eens met mij op een bezoek wilde gaan bij een officiële aangelegenheid. Liefst bij een tribunaal in Den Haag en dan liefst bij de president daarvan. Want hij had inmiddels begrepen dat daar wellicht ook onderscheidingen te halen waren. Zelfs de USA had er tegenwoordig veel mooie bij, en die presidente was een Amerikaanse, een hoge rechter uit de deelstaten van Gods Eigen Land. Er zat vast wel iets in het vat voor deze directeur als ik maar voorzorgen trof, met een rode loper en het volkslied en zo, dit was immers een interstatelijke aangelegenheid en als Koffi Annan chalereus ontvangen werd, de veelbesproken secretaris-generaal van de Verenigde Naties, dat kon dat bij de veel belangrijkere directeur Wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden ook. Als ik dan maar Eurovisiefinale met vol orkest regelde. Ik moest maar iets verzinnen over een uitvoeringsarrangement dat met de gastlandovereenkomst te maken had. Dan zou hij daarin genadig toestemmen. En dan zouden de bazuinen schallen.

We gingen, zo deed de directeur weten, met de dienstauto, dat zou indruk maken. de voiture. Dat beklemtoonde hij met kracht. Dat regelde hij wel. Hij was hoog. Dat moest ik maar eens in mijn oren knopen. Want daar mij schortte bij nog veel aan. Mij viel de Rotterdamse zegswijs in: die persoon is een hoge mieter, als hij op een keukentrappie staat. En dat kan men doorgaans niet ontkennen. Ik kondigde dus het bezoek van de directeur aan. Tijdig en regelmatig bij de griffier van het Joegoslavië-tribunaal. En ik zei aan, dat het hier een heel, heel hóóg persoon gold. En dat deze directeur dus dienovereenkomstig ontvangen en begroet moest worden. De voiture reed voor aan de Schedeldoekshaven. De directeur zette zich pontificaal aan de rechterzijde achterin op het opgewreven leer. Begon meteen te telefoneren via de enorme mobiele telefoon, een vierkant onhanteerbaar geval, opzienbarend, want die dingen kwamen net in zwang en lieten inderdaad blijken dat hier een hooggeplaatste zich deed transporteren. Leeslampjes rechts achterin aan. Geen motorcalvacade om het dienstvoertuig heen, een minpunt, dus ik ging vast naast de chauffeur voorin zitten, om tijdig bij arrivement de achterportier rechts reverent te kunnen open en knipmessend de lege aktetas van de directeur aan te vatten en landinwaarts te zeulen. Maar we kwamen niet echt ver. Bij het massale levensverzekeringskantoor aan de Johan de Wittlaan, waar dat tribunaal gevestigd was. Want de dienstauto was niet alszodanig aangekondigd. De slagboom bleef dus omlaag. De naderbijslenterende VN-geüniformeerde wenkte de directeur dat hij uit die auto moest komen, want hij zou nu lijfsvisitatie ondergaan. Jasje uit, beduidde deze kauwgom malende official. Het was net flink beginnen te regenen. Soms werkt de natuur direct mee aan Gods Heilsplan. De directeur was daarom verbolgen, want hij had een fraai overhemd aan met dubbele manchetten, dat merkbaar leed onder de stortbui. En het was nog een heel eind naar de luifel van de hoofdingang. Druipend kwamen wij daar aan. De één nog natter dan de andere. De directeur, het Engels niet goed machtig, barstte in een banjir van vervloekingen uit, fraai gebracht zonder enige herhaling, toen hem bevolen werd de inhoud van de zakken van het jasje en de slobberige broek op de lopende band uit te storten, want het aanslagrisico was op dat moment hoog. Dit was, zo schreeuwde de directeur, verdomme Nederland en hij was geen schurk. “I am not a krook!” zo scandeerde het galmend door de immense gemarmerde hall. En dat was ook zo. Echt wel. Bill Clinton had dat kort tevoren óók van zichzelf gezegd tijdens een verhoor over Monica Lewinsky en de sigaar. We kwamen zeer laat met veel vertraging aan bij de presidente. En die kon dat alles geredelijk beamen. Maar een onderscheiding zat er even niet in. Ook niet wegens dit negativum. Terwijl dat toch wel iets was om te boekstaven. Ik had overigens niet het idee dat de directeur thans vond dat ik in zijn plaatje paste. En ik kon daar een eind in mee gaan.
